En toen keek de man op en wist hij dat het Jacobus le Roux was.
Jacobus was het hok uit komen rennen, zodat de lammergier ontsteld met haar reuzenvleugels klapte. Ze hadden sprakeloos hun armen om elkaar heen geslagen, zeventien jaar nadat ze bij een naamloos gehucht in Mozambique afscheid hadden genomen. Jacobus had hem meegenomen naar zijn huisje uit angst dat iemand iets zou zien, dat het onheil zou terugkomen en ook Pego zou opeisen.
Ze hadden elkaar hun verhalen verteld. In 1986 was Pego nog zes maanden in Mozambique gebleven en daarna was hij teruggegaan naar zijn dorp. Ja, er waren blanken naar hem komen vragen. Twee keer maar.
Hij was bang. Hij kon niet het hele verhaal aan zijn familie vertellen, uit angst dat iemand ergens iets verkeerds zou zeggen. Voor zover zij wisten, was er een groot probleem geweest tussen hem en de Boeren, en daarom mochten die nooit weten dat hij was teruggekomen en daarom kon hij nooit meer Pego zijn, ze zouden hem Vincent noemen, zodat hij een nieuw leven kon beginnen.
De Boeren waren niet naar hem blijven zoeken. Misschien dachten ze dat hij geen gevaar vormde. Wie zou een Mapulana geloven die verhalen vertelde over lichten en kabels in het wildpark, over mensen die hem hadden neergeschoten en gebrandmerkt?
Pas eind 1987 had hij werk gevonden in een particulier natuurreservaat, als kelner, maar de eigenaar had al snel zijn veldkennis ontdekt en hem bevorderd tot assistent van de natuurgidsen.
In 1990 trouwde hij met Venolia Lebyane en in 1995 zag hij de advertentie van de Parkenraad van Limpopo. Ze zochten zwarten met een middelbareschoolopleiding die jachtopziener in de provinciale wildparken wilden worden. Hij had geen opleiding, maar hij was naar Poliwane gegaan en had ze verteld dat zijn kennis in het bos lag. Daar had hij geen papieren voor, maar of ze hem een kans wilden geven, alstublieft.
Dat hadden ze gedaan, want er waren niet veel aanmeldingen, de bewoners van Limpopo wilden in de stad werken, niet in de natuur. En zo werd Vincent Mashego jachtopziener en nu leidt hij het Talamati Bushveld Camp in het Manyeleti-wildpark in Limpopo, vlak bij het Krugerpark.
Toen vertelde Jacobus zijn verhaal aan Pego, en de zwarte man had hem huilend vastgehouden. En gezegd dat hij zijn leven aan Jacobus te danken had. En hem daarom zou helpen.
Er was niets wat hij kon doen, had Jacobus gezegd.
Vast wel. Ooit.
Ze hadden elkaar daarna regelmatig gezien. Nu en dan reed Jacobus heel voorzichtig naar Manyeleti om met Pego bij een kampvuur te zitten, en dan was het bijna zoals vroeger toen ze over de natuur en de dieren praatten. Maar nu gingen hun gesprekken over de druk die op de natuur kwam te staan, over de bedreigingen, de blanke projectontwikkelingen, de zwarte grondclaims, de stropers die achter rinoceroshoorns en gierenkoppen aan zaten, de hebzucht over de kleurgrenzen heen.
Na de zoveelste vergiftiging was Jacobus le Roux op tilt geslagen. Hij vertelde me dat het was alsof twintig jaar angst en frustratie en dood hem op dat ogenblik net te veel werd. Hij stond tussen de karkassen in het veld en kon het niet meer verdragen. De magnifieke dieren die hij bij Mogale zo goed had leren kennen, de beeldschone vogels die een paar uur eerder nog hun geweldige vleugels in de wind hadden gestrekt, waren ineens een symbool van de nutteloosheid van zijn leven. Uiteindelijk was er iets in hem gebroken. Hij was het geweer gaan halen en had het spoor gevolgd. Tot aan de hut van de sangoma. Daar vond hij ze, de gieren en de botte messen waarmee ze de karkassen opensneden en de stapeltjes geld en de plastic zakjes en de vier mensen. En toen had hij hen doodgeschoten. In zijn waanzin, haat en woede.
Pas drie uur later, ergens in het veld, was hij bij zinnen gekomen. Hij besefte wat hij had gedaan. Hij vluchtte naar Pego, die hem een schuilplaats bood en zei dat hij hem zou helpen, want zijn vrouw, Venolia Mashego, werkte bij de politie in Hoedspruit en zou vertellen of ze Jacobus zochten.
Venolia Mashego was op het bureau bij Jack Phatudi toen de vrouw uit de Kaap belde om te vragen of Jacobus le Roux misschien Cobie de Villiers was. Pego wist dat het de zus moest zijn. Hij had zelf Emma's nummer opgezocht en gebeld, want hij wilde zijn schuld aan Jacobus inlossen door zijn zusje te redden. Maar in het bos van Manyeleti was het telefoonsignaal zwak en hij wist niet hoeveel Emma had gehoord.
Jacobus was boos op hem toen hij het hoorde zo boos dat hij die nacht vertrok, naar Stef Moller. Maar na de dood van Frank Wolhuter had Jacobus Pego gebeld en gezegd dat hij zich vergist had. Ze moesten Emma waarschuwen, ze moesten haar hier weg zien te krijgen.
Pego was degene die het briefje had geschreven en bij de hekwachter, Edwin Dibakwane, had laten afleveren.
Maar het was te laat.
46.
Ik lig nog te dromen van de schedels op de berg bij Motlasedi als Jeanette even na achten belt.
'Ik heb de enige rechtstreekse vlucht voor je geboekt. Vertrektijd 14.35 uur, aankomst om 17.00 uur op de Kaap.'
'Dat is jammer.'
'Hoezo?'
'Wernich zit te wachten op nieuws van zijn aanvalsbende. Hij zal tegen die tijd erg bezorgd zijn. Ik hoop niet dat hij opeens zin krijgt om op reis te gaan.'
'Wil je dat ik hem in de gaten laat houden?'
'Dat zou wel handig zijn.'
'Komt voor elkaar.'
'Dank je, Jeanette.'
'Haal je maar niks in je hoofd, Lemmer. Ik doe het voor onze client.'
Ik zeg tegen Eleanor Taljaard dat er vanmiddag hopelijk een familielid bij Emma komt, iemand wiens stem ze al heel lang wil horen.
'We hebben een wonder nodig, Lemmer. Je weet wat ik gezegd heb: hoe langer ze in coma blijven...'
'De wonderen zijn de wereld nog niet uit,' zeg ik, maar we geloven het geen van beiden.
Ik rijd naar het vliegveld en wacht tot twintig minuten voordat de vlucht naar de Kaap vertrekt. Dan bel ik Jack Phatudi. Ik krijg te horen dat hij bezig is, maar ik zeg dat het een noodgeval is, ik ben op zoek naar zijn mobiele nummer.
Wat voor noodgeval?
Dat ik de mensen gevonden heb die Edwin Dibakwane hebben gemarteld en vermoord.
Ze geven me Phatudi's mobiele nummer. Hij is stug en agressief, tot ik hem vertel waar hij ze kan vinden, de moordenaars van Wolhuter en Dibakwane, de mensen die op Emma le Roux hebben geschoten. Ik vertel hem dat de meesten van hen dood zijn, maar dat er een, misschien twee, nog in leven zijn. Ze zijn gewond, maar zullen wel terecht kunnen staan.
'Ze zullen niet praten, Jack, maar het zijn de mensen die je zoekt. Doe forensisch onderzoek, de bewijzen zijn er.'
'Heb jij ze vermoord?'
'Zelfverdediging, Jack.'
Hij zegt iets in het sePedi, waaruit duidelijk blijkt dat hij me niet gelooft.
'Tot ziens, Jack.'
'Wacht. Waar is Cobie de Villiers?'
'Ik zoek nog. Maar je kunt je mensen bij het ziekenhuis weghalen. Er is geen gevaar meer voor haar.'
'Waar ben jij?'
'In Johannesburg,' lieg ik. 'Op het vliegveld.'
'Ik kom je halen, Lemmer, als je tegen me liegt.'
'Oei, nu heb je me zo bang gemaakt dat ik moet ophangen, Jack.'
Hij wordt boos en hangt zelf op. Alweer een kans verkeken om bruggen tussen de rassen te bouwen.
Stef Mollers nummer heb ik in de lijst met oproepen op Emma's mobiel gevonden. Bij de eerste aankondiging dat we aan boord moeten, bel ik hem. De telefoon gaat lang over en dan neemt Moller zelf op.
'Stef, met Lemmer...'
'Wat wil je?'
'Hoe is het met Jacobus?'
'Cobie.'
'Hoe gaat het met hem?'
'Wat had je gedacht? Dat het goed gaat? Na alles wat jij hebt gedaan?'
'Hoe is het met hem?'
'Hij praat niet. Hij zit daar alleen maar.'
'Stef, ik wil dat je hem een boodschap overbrengt.'
'Nee.'
'Luister gewoon. Zeg tegen hem dat ik ze gevonden heb. Zes van hen. Vier zijn er dood, twee moeten naar het ziekenhuis, maar dat zal onder politiebewaking zijn. Zeg tegen hem dat ik nu op weg ben naar de Kaap om ook die kop af te hakken.'
Ik luister lang naar Stef Mollers ademhaling aan de andere kant van de lijn voordat hij langzaam en afgemeten vraagt: 'Weet je het zeker?'
'Zeg tegen Cobie dat hij Pego's vrouw kan bellen voor bevestiging.'
Hij antwoordt niet.
'En Stef, daarna vertel je hem dat er volgens de artsen maar een ding is dat Emma kan redden. Jacobus moet met haar gaan praten.'
'Gaan praten?'
'Ja. Hij moet met haar gaan praten. Neem hem mee, Stef. Neem hem mee naar Emma.'
'Laatste oproep voor vlucht 8801 naar Kaapstad,' hoor ik op de achtergrond.
'Breng hem daarheen, Stef. Beloof het me.'
'En hoe zit het met Hb?' vraagt hij.
'Wie?'
'Hb.'
'Nooit van gehoord, Stef. Is dat niet een hard potlood?'
In het vliegtuig denk ik aan Stef Moller. Die niet wil vertellen waar zijn geld vandaan komt, die achter een gesloten hek absolutie zoekt door te proberen de misdaden tegen de natuur waaraan hij medeschuldig is, te compenseren.
Iedereen doet het op zijn eigen manier.
Ik slaap twee uur lang in het vliegtuig en word wakker als de Canadair Jet hard op Kaapstad International landt. Jeanette staat me op te wachten in de aankomsthal. Zwart Armani-pak, wit overhemd en een das met de Zuid-Afrikaanse vlag. Ze komt naast me lopen en schouder aan schouder gaan we naar buiten, waar de zuidooster met stormkracht blaast.
'Hij zit op hun hoofdkantoor in Century City,' zegt ze boven de gierende wind uit.
'Hoeveel kantoren hebben ze?'
'Een in Johannesburg, en het hoofdkantoor buiten Stellenbosch. En ik heb de documenten meegebracht van het onderzoek dat ik destijds heb gedaan. Lees ze maar in de auto.'
'De auto' is een Porsche, klassieke lijnen en een kleine spoiler achterop. Ze stapt in, leunt over de passagiersstoel en doet het portier voor me open. Ik prop mijn tas over de achterleuning in de kleine ruimte erachter en stap in.
'Geile bak,' zeg ik.
Ze glimlacht alleen maar en start de motor. Er komen indrukwekkende geluiden van achteren.
'Hoe noem je zo'n ding?'
'Een chick magnet,' zegt ze en ze trekt op.
'Ik bedoel, wat voor model is dit?'
Ze kijkt me aan alsof ik dat hoor te weten. 'Dit is een 911 Turbo, Lemmer.'
'O.'
'Jissis, stelletje provincialen! Dit is de 930-serie, model uit 1984. In haar tijd was zij de snelste op de weg.'
'Zij?'
'Natuurlijk is het een "zij". Mooi, sexy...'
We rijden over een snelheidsdrempel. Langzaam.
'... en zonder zwevende ophanging?'
'Rot op, Lemmer. Ga jij je leeswerk maar doen.'
Ik draai me om en pak het stapeltje documenten. Bovenop ligt een prospectus: Southern Cross Avionics. Innovation. Dedication. Quality. Op het voorblad een foto van een Mirage-gevechtsvliegtuig in de lucht. Full colour, duur, dik papier. Ik begin te lezen.
Southern Cross Avionics is de meest vooraanstaande ontwerper van lucht- en ruimtevaartsystemen in Afrika. Een concurrent van wereldformaat, gedreven door constante innovatie, volledige toewijding aan de belangen van clienten, en met een passie voor topkwaliteit in al onze producten.
'Bescheiden types,' zeg ik.
'Propaganda,' zegt Jeanette.