Onzichtbaar - Onzichtbaar Part 41
Library

Onzichtbaar Part 41

Ik trek de Glock en keer me om. Niets.

Ik hoor nog steeds een stem. Van een man. Onmogelijk, er is alleen diep bos achter me, er is iets vreemds aan de hand.

Het klinkt als een radio.

Ik kruip naar Blondies lijk en voel in de zakken. Niets. Draai hem om en voel aan zijn riem, maar vind niets.

De stem is nu beter te horen. Hier bij hem, ergens aan hem. Hoger.

Ik tast rond want ik kan niets zien in het donker. Dan houd ik mijn oor bij zijn hoofd en hoor het duidelijk: 'Wannie, hoor je me? Over.' Zacht gefluisterd, een beetje ongeduldig.

Zijn oor, het ding zit in zijn oor, er hangt alleen een draadje uit. Ik had kunnen weten dat ze technologische snufjes hadden. Ik haal het er voorzichtig uit, zijn huid is nog niet koud, doe het in mijn oor, maar het past niet erg goed. Misschien is het op maat gemaakt voor hem.

'Wannie, vertel me niet dat je wek niet werkt.'

Ik vraag me af wat een 'wek' is.

'Frans, kun jij Wannie zien?'

'Negatief.'

'Fuck.'

Nummer drie en vier.

'Moet ik gaan kijken?'

'Ja, het is nog vroeg. Neem een van de reserveweks, er liggen er nog een paar achter in de Jeep, in de blauwe doos.'

'Oke.'

Ik ga liggen. Weks? Ik kijk door de nachtkijker. De man achter de verandamuur is opgestaan. Frans. Hij draaft de treden af naar de auto's en doet de achterkant van de Jeep open.

'Ik zie de doos niet.'

'Die ene waar Voice Activated Comms op staat.'

Ik snap het. Wek. vac. vac's.

'Hij staat er niet.'

'Hij moet er staan.'

'Ik zeg toch dat hij er niet staat.'

'Hij staat achter in de Prado, Eric. Ik heb hem verplaatst.' Een nieuwe stem. Nummer vijf.

'Thanks.'

Frans doet de Jeep dicht, loopt naar de Prado, doet hem open en rommelt achterin.

'Oke, ik heb hem. Fuck, Wannie, schiet me niet dood.'

'Hij kan je niet horen, Frans.'

'Ik zeg het alleen maar.'

En dan komt hij over het gras naar me toe draven. Ik pak het mes en sta op.

Jacobus le Roux vond werk als assistent bij het Mlawula-natuurreservaat in Swaziland. Hij was een bezienswaardigheid voor de zwarte natuurbeschermers, deze blanke weggelopen Afrikaan die het werk van een zwarte wilde doen. De stille jongen die nooit meelachte.

Met veel moeite en geduld had hij brokjes nieuws en geruchten aan elkaar geplakt: Machels vliegtuig was uit koers geraakt. Er had ergens een vals baken, een vor, gestaan, speculeerde The Times of Swaziland samen met Russische kenners.

Hij wist waar de vor had gestaan. Hij wist ook wie hem daar had neergezet.

In de kranten stond dat de Zuid-Afrikaanse regering Machel dood wilde, want dat zou het breekpunt zijn in Mozambique. Kenneth Kaunda van Zambia was gezwicht voor de druk van de Boeren en had renamo opgedragen zijn land te verlaten. De grote veldslag van renamo was begonnen, alles op het scherp van de snede, op de rand van de afgrond. Machels dood moest het definitieve einde van frelimo betekenen.

Maar in Pretoria werd alles ontkend. Ook door de minister wiens gezicht hij in het vliegtuigje had gezien. Vooral door die minister.

Dat is wat Jacobus het bangst had gemaakt. Want hij wist dat ze logen en hij wist waartoe ze in staat waren om de leugen in stand te houden.

Vijf maanden bleef hij bij het Mlawula-natuurreservaat, en toen kwamen ze hem op het spoor.

Hij kwam net uit de bush toen de grote, dikke Saul Lindani, de Swazi-manager met de eeuwige glimlach, tegen hem zei: 'Niet naar huis gaan, daar wachten blanken op je. Boeren.'

Weer was hij gevlucht.

Frans was de man achter het stuur van de Jeep op het parkeerterrein van het ziekenhuis. Ik leg hem levenloos naast grote Wannie neer, trap zijn vac kapot, pak Wannies rugzak en de Galil en ren door het donker naar het huis.

Er zijn nog minstens drie man daar, maar ik vermoed dat ze met meer zijn. Als het er maar vijf waren, zouden ze niet met twee auto's zijn gekomen. Ik gok op zes. Dat betekent dat er nog vier over zijn. Minstens.

'Wannie, hoor je me nu?'

In het donkere huis maak ik de rugzak open. Een fles water. En broodjes, zo te ruiken kip.

'Frans, wat doen jullie?'

Ik zoek mijn Twinkies, maar vind alleen de lege doos. Nog iets waarvoor ze zullen moeten boeten.

'Frans. Hoor je me, Frans?'

Ik eet en drink haastig, net genoeg om de ergste honger te stillen.

'Dit is toch niet te geloven.'

Ik pak de Galil en ga door de achterdeur naar buiten, langs de auto's, zuidwaarts, naar het dichte bos waar ik de afgelopen nacht heb liggen wachten.

'Ik denk dat we een probleem hebben, Eric.'

'Fuck.'

'En hij zal het geweer ook wel hebben.'

Eric kauwt even op die wetenschap.

'En misschien ook een vac,' zegt Eric. 'Doodstil liggen en op alles schieten wat beweegt.'

44.

Hij had in Swaziland in de mijnen gewerkt, op afgelegen boerderijen en een keer op een plantage. Soms had hij zich gewoon schuilgehouden in de bergen en gestolen om in leven te blijven. Twee keer was hij teruggegaan naar Mozambique, maar daar was geen werk, daar kon hij niet overleven. Hij had in angst geleefd, elke dag, zes jaar lang. Hij had voortdurend over zijn schouder gekeken en een instinct ontwikkeld voor wie hem zou verraden, en wanneer. Hij had het ze niet kwalijk genomen als je arm bent en honger hebt, als je ergens in een Swazi-dorpje een vrouw en vijf kinderen hebt die meer willen hebben, altijd maar meer, dan pak je elke cent die je kunt krijgen. Als je in de kroeg in Mbabane iemand tegenkomt die vragen stelt, dan vertel je over die eigenaardige blanke die naast je in de mijnschacht stond, de man die jouw taal sprak en nooit lachte.

In 1992 stonden de kranten van Swaziland vol van de Grote Verandering in Zuid-Afrika.

Toen kreeg hij hoop.

Hij wachtte nog twee jaar, tot maart 1994, kocht van zijn spaargeld een nieuw gezicht bij een chirurg in Mbabane, een Nissan 1400 pick-up en een vals paspoort in Bulembu, en reed de grens over en de berg af naar Barberton.

Hij had bij een telefooncel in het centrum gestaan en het nummer van zijn ouderlijk huis gebeld, maar voordat de telefoon overging, was hij overvallen door angst en had hij opgehangen.

Stel dat...

Wacht tot de verkiezingen voorbij zijn. Wacht, want je wacht al acht jaar, er kunnen nog wel een paar maanden bij.

Een week later had hij in een bar over Stef Moller gehoord en was hij naar Heuningklip gereden. Pas toen hij met Melanie Lottering wilde trouwen, had hij geweten dat de tijd rijp was, dat het veilig genoeg was, dat hij zijn ouders weer kon zien.

Ik weet waar ze moeten liggen om het hek en het toegangspad te zien. En ik weet uit welke richting ze me verwachten.

Ze zullen twee aan twee zijn, want dat maakt alles makkelijker.

Voor mij ook.

Ik kom uit het westen, want ze zullen zich op het zuiden concentreren, terwijl het andere lid van het team naar het noorden kijkt. Ik zie door de nachtkijker twee van hen liggen, nog geen vijftig meter van waar ik mijn nest had toen ik Donnie Branca en Stef Moller opwachtte.

Ik ben niet vertrouwd met de Galil. Ik weet niet op welke afstand de kijker gekalibreerd is. Ik tijger tot ik ze op tweehonderd meter ben genaderd, ga met langzame, doelbewuste bewegingen liggen tot ik genoeg beschutting heb, en leg dan aan.

Er is geen wind. Ik laat het kruisje stilstaan op de schouder van degene die naar het zuiden kijkt, haal diep adem, blaas langzaam uit en druk de trekker in.

Er gebeurt niets.

Ik controleer of de veiligheidspal eraf is. Dan snap ik het. Het is een tweetrapstrekker, het is een sluipschuttersgeweer.

Ik leg weer aan, adem in en uit, druk de trekker in, druk nog een keer en het schot knalt oorverdovend. Ik zwenk de loop naar de andere. Hij beweegt, kijkt om naar zijn makker. Ik schiet en zie hem schokken.

Dan is het stil.

'Wie heeft er geschoten?' Erics stem.

De laatste twee. Ik weet niet precies waar ze zijn. Ik vermoed dat ze het oostelijke front dekken, ergens achter de bladertunnel waar ik met Branca en Stef heb gepraat. Ik sta op en begin te rennen, van donkere vlek naar donkere vlek.

'Dave, hoor je me, Dave, wie heeft er geschoten? Hebben jullie iets gezien?'

'Eric, hoor je mij?' zeg ik.

'Wie de fuck is dit?'

'Ik heet Lemmer en ik lig naar je te kijken door de nachtkijker van een Galil.'

Ik moet hem laten praten een man die praat, kan niet horen.

Hij praat niet.

'Jullie zijn de enigen die over zijn, Eric. Nou moet je mij eens vertellen waarom ik de trekker niet over zou halen.'

'Wat wil je?'

'Informatie.'

Ik zie ze niet. Ik ben bij het karrenspoor tussen het huis en het hek, ik zwenk de kijker langzaam van links naar rechts, maar ik zie ze niet. Nog verder naar het oosten? Zou kunnen.

'Wat voor informatie?'

'Ik heb maar twee vragen. Maar denk goed na voordat je antwoord geeft, want je krijgt maar een kans.'

'Ik luister.'

Ik weet wat hij doet. Hij beduidt zijn maat alle kanten op te kijken. Hun ogen zoeken me. De adrenaline pompt, ze zijn klaar om te schieten.

'Leg eerst de wapens neer.'

Ik kan niet blijven zoeken, als ze mij zien, hoef ik maar een beweging te maken en ze weten dat ik lieg.

'Ik zeg, leg de wapens neer.'

'Oke.'

'Nu staan jullie op.'

Ik zie niets. Ze zijn dichter bij het hek dan ik dacht.

'Allebei.'