Onzichtbaar - Onzichtbaar Part 35
Library

Onzichtbaar Part 35

Er stond een dienblad.

Een gehavend bruinrood dienblad met een kurken bodem en een suikerpot en koffiebekers erop, dat trok mijn aandacht.

Die koffiebekers.

Waarom?

Het waren er drie. Drie koffiebekers, twee helemaal leeg, de andere halfvol.

Ik ga rechtop staan in het donkere bos, fles in de ene hand, Glock in de andere.

Ik ben hier alleen met Septimus, er zijn geen andere arbeiders. Dat had Stef Moller gezegd, maar er stonden drie lelijke, kakibruine koffiebekers met theelepels erin en een ervan was niet leeggedronken. Twee mensen, drie bekers, dat was wat niet klopte. Er was iemand anders in die schuur toen Emma vanaf het hek belde. Iemand die niet gezien wilde worden.

Ik pak mijn spullen bij elkaar en draaf naar het huis, want ik heb een vermoeden wie die derde persoon was.

En ik denk dat hij nog steeds in Heuningklip is. Dat was waar Stef Moller over loog.

Het kost me bijna drie uur om de tweehonderdvijftig kilometer naar Heuningklip te rijden. Zware vrachtwagens op de bergpassen, scherpe, onzichtbare bochten in de nacht tegen de steile hellingen op.

Ik rijd door Nelspruit en vraag me af hoe het met Emma gaat, ik wil afslaan en stoppen en naar binnen gaan en haar hand vasthouden. Met haar praten. Ik wil haar vragen waaraan ze dacht toen ze naast mijn bed kwam staan, en ik wil ook dat haar zwijgen de mogelijkheid van vele antwoorden openhoudt.

Ik sla rechts af de R38 op, net voorbij de Suidkaaprivier en ik denk aan Stef Moller, de verlegen rijke man. Want hij is de multimiljonair die al die boerenbedrijven kwam kopen en weer mooi heeft gemaakt, maar niemand weet waar hij zijn geld vandaan heeft. Dat had Melanie Posthumus gezegd.

Waar komt het geld vandaan? En wat kun je daar allemaal mee kopen?

Ik stuit met mijn gedachten op een muur. Ik ben moe gedacht. Ik wil handelen. Ik wil antwoorden hebben die de hele zaak opengooien, die de zware, zwarte gordijnen van leugens en bedrog zullen wegtrekken zodat overal het licht op kan vallen, zodat ik weet wie ik bij zijn lurven moet grijpen, mijn vuist in het gezicht moet duwen met de woorden: 'Nu vertel je me alles.'

Op de R541 voorbij Badplaas moet ik langzaam rijden om het hek van Heuningklip niet in het donker voorbij te rijden, want het heeft geen dramatische ingang, er is alleen het spookachtige reservaat achter hoge hekken. Ik rijd een kilometer verder dan het naambordje, parkeer de Audi zo diep mogelijk in het hoge gras langs de weg, stap uit, steek de Glock achter in mijn riem en kijk op mijn horloge. Kwart voor drie 's nachts. Gestapotijd.

Ik klim over het drie meter hoge hek. Ik moet het karrenspoor volgen, ik kan het me niet veroorloven om in de bosjes te verdwalen. En dan is er nog de mogelijkheid van leeuwen. Want Melanie Posthumus vertelde dat Moller zodra hij zeventigduizend hectare land bij elkaar had, leeuwen en wilde honden wilde huisvesten. En dat was een paar jaar geleden.

Het pad kronkelt drie kilometer naar het bescheiden huis en de bijgebouwtjes. Ik loop. Ik voel me onbeschermd, maar aan weerskanten is het gras te hoog en onbegaanbaar. Ik loop met mijn hand op het pistool en luister naar de geluiden van de nacht. Ik hoor een hyena janken, een jakhals huilen. Honden blaffen in de verte. Ik weet niet of wilde honden blaffen, ik weet alleen dat ze in troepen jagen, dat ze hun prooi kilometers achtervolgen en er stukken vlees uit happen totdat hij door bloedverlies en uitputting in elkaar zakt zodat de hele troep kan delen in het vreetfestijn.

Ik loop sneller, over de middenrichel, waar mijn zolen minder knarsen.

Een nachtvogel vliegt op, recht voor me, kwetterend, dan nog een, twee, vier, vijf. Ik schrik, vloek en blijf staan, met de Glock in mijn hand. Het duurt minutenlang voordat het lawaai bedaart.

Dan loop ik verder.

Eindelijk, op een verhoging, het erf, in duisternis gehuld, geen lichtje te zien.

Zou Stef Moller al terug zijn? Of is hij eerst samen met Branca naar Mogale gegaan?

Ik zal eerst het huis moeten doorzoeken.

Ik sluip door de schaduwen. Daar is het huis, de schuur, nog een lang bijgebouw, aan de andere kant van het heuveltje staan vier arbeidershuisjes, kleine, vaalwitte gebouwtjes met bakstenen muren en zinken daken. Stef Moller knikte die kant uit toen hij over schele Seppie praatte als zijn enige arbeider.

Ik loop langzaam over de veranda van het grote huis naar de voordeur. Voorzichtig draai ik met mijn linkerhand de knop om, het pistool in mijn rechterhand.

Hij is niet op slot.

Als een deur kraakt, moet je zorgen dat het zo kort mogelijk duurt. Ik duw hem snel open, ga naar binnen en trek hem dicht. Geen noemenswaardig geluid.

Pikkedonker binnen, ik kan de meubels niet goed zien. Ik wil niet ergens tegenaan lopen. Ik moet wachten tot mijn ogen zich aanpassen. Rechts is een ruimte, vrij groot. Zitkamer? Voor me is een gang. Die loop ik zacht in.

De eerste deur links is de keuken, daar zijn geen gordijnen, ik zie het witte email van een oud fornuis. Dan twee deuren, links en rechts, allebei open. Badkamer links. Slaapkamer rechts.

Ik luister aan de slaapkamerdeur. Niets.

Loop door. Nog twee deuren aan weerskanten. Allebei slaapkamers, die aan de rechterkant is de grootste, waarschijnlijk slaapt Stef Moller hier. Onmogelijk iets te zien, ik doe een stap de kamer in en sta dan stil om te luisteren, maar als ik mijn adem inhoud, hoor ik alleen mijn eigen hart kloppen. Niemand.

Ik ga de kamer uit, zet doelbewust eerst de bal van de voet neer, en dan de hiel, zacht, geluidloos, tot in de derde slaapkamer.

Leeg. Er is niemand in huis. Moller is nog onderweg, of misschien slaapt hij vannacht ergens anders. Ik loop terug naar de voordeur, sneller nu, want niemand kan me horen. Ik ga naar buiten en sta op de veranda. Het erf is spookachtig stil. De arbeidershuisjes liggen aan mijn linkerkant, naar het oosten, ik zal honderdvijftig meter open ruimte en knerpend grind moeten oversteken. Het hoge gras is tot twee meter van de huisjes gemaaid, daar moet ik zien te komen, dan heb ik beschutting. Rustig aan, er is geen haast bij.

De huisjes liggen in een schuine rij tegen de helling, duidelijk zichtbaar in het zachte licht van de dalende maansikkel en de sterren, een ongelooflijk uitspansel hier waar geen licht brandt. Ik zal helemaal links beginnen, het dichtst bij het huis. Maar ik heb een probleem. Schele Septimus woont in een van de huisjes en ik wil hem niet wakker maken. Welk huisje? Onmogelijk te zeggen. Misschien niet het allereerste je wilt niet zo dicht bij de baas liggen. Ik gok op het tweede.

En de man die ik zoek? In het derde of het vierde?

Een van de twee. Ik begin aan de lange tocht over de aangestampte aarde van het erf, het pistool in de aanslag. Godzijdank zijn er geen waakhonden. Ik zet mijn voeten zacht neer, een slapende man zal daar niet wakker van worden. Langzaam, voorzichtig koers ik naar het gras links van het eerste huisje, en ik vraag me af of hij daar ligt, in huisje nummer drie of vier, de man die ik zoek. Vraag me af wat hij zal zeggen als ik de Glock tegen zijn hoofd duw en hem zachtjes wakker schud.

Nog vijftien meter naar het gras, nog tien, ik moet me concentreren om de laatste vijf niet te versnellen, ik mag nu geen lawaai maken, en dan ben ik veilig, hurk neer en kijk naar de ramen van het eerste huis. Geen gordijnen. Boven- en onderdeur van hout waar de verf afgebladderd is.

Ik loop gebukt door het gras naar het tweede huis. Vuilwitte vitrage met een lange scheur erin. Waar is Septimus? Daar is hij, slapend, onbewust en onbelangrijk. Ik sluip verder, zeven meter, en ga op mijn hurken zitten. Ik zie de verschoten gele gordijnen achter het raam van huisje nummer drie en herinner me hoe Melanie Posthumus vertelde dat ze zulke mooie gele stof voor hem had gekocht, en ik weet waar hij ligt, ik heb hem gevonden, Emma le Roux, ik heb de ongrijpbare Pimpernel opgespoord, Jacobus le Roux, ook wel bekend als Cobie de Villiers, moordenaar, vermiste, activist en raadsel.

Maar dan is er opeens een schaduw naast me in het dichte gras, iemand drukt zachtjes een loop tegen mijn linkerslaap en zegt zenuwachtig: 'Leg dat pistool neer of ik schiet je overhoop.'

38.

Plotselinge woede of schrik stimuleert het bijniermerg om het hormoon epinefrine af te scheiden. Dat weet ik doordat ik erover heb gelezen in de gevangenis, in mijn zoektocht naar antwoorden. Epinefrine versnelt de hartslag, verhoogt de bloedsuikerspiegel en de bloeddruk en vernauwt de pupillen en ook de aderen die naar de huid lopen, zodat het bloedverlies beperkt blijft als je gewond raakt. Het bereidt het lichaam voor op fysiologische noodtoestanden en staat bekend als de vecht- of vluchtreactie.

De literatuur zegt niet wat het in de hersenen doet, die negeert de tijdelijke waanzin, het rode waas.

Maar met de licht trillende loop van een machinepistool tegen je slaap zijn vechten, vluchten en waanzin geen zinvolle opties. Het enige wat je kunt doen, is vechten om je zelfbeheersing te vinden, de uitwerking van het hormoon proberen te neutraliseren tot absolute concentratie, langzaam en diep ademhalen en doodstil blijven zitten.

Dat is niet wat de schaduw hier naast me wil.

Hij stoot de loop hard tegen mijn schedel en zegt: 'Leg dat ding neer.'

Zijn toon is niet die van een man die de boel onder controle heeft. Er klinkt angst in door, een schrilheid die me niet bevalt. Ik laat de Glock langzaam op de grond zakken en leg hem in het gras.

'Wie ben je?'

Ik wil mijn hoofd naar hem toe draaien, maar hij drukt het wapen harder tegen mijn slaap.

'Ik ben Lemmer,' zeg ik sussend.

'Wat moet je hier?'

'Ik werk voor je zus, Jacobus. Voor Emma le Roux.'

'Ik heb geen zus.' Hij is een snaar die te strak gespannen staat en het trillen van de loop wordt erger, ik kan het niet zien, maar ik voel het, vlak bij mijn oor. Ik vraag me af of zijn vinger aan de trekker net zo gespannen is als zijn stem.

'Dan heb ik me vergist. Het spijt me.'

Het is niet het antwoord dat hij verwachtte. Hij zwijgt, twaalf hamerslagen van mijn hart, en dan zegt hij: 'Je liegt.'

Ik houd mijn stem rustig en vlak en zacht. 'Ik lieg niet, Jacobus. Het spijt me echt. Vooral voor Emma. Zij wil zo vreselijk graag haar broer weer zien. Ik denk dat ze heel veel van hem hield.'

'Ik heb geen zus.' Zijn stem is een halve octaaf gestegen. Mijn sussende aanpak werkt niet echt.

'Ik weet het, Jacobus. Ik geloof je. Nu is mijn werk klaar. Ik zal tegen haar zeggen dat ze geen broer meer heeft.'

'Dat klopt.'

'Mag ik opstaan? Dan ga ik weg. Ik kom je niet meer lastigvallen. Het pistool mag je houden.'

Hij denkt er even over na, en de loop van zijn wapen schuift een paar millimeter van mijn slaap, zie ik uit mijn ooghoek.

'Waarom kom je me hier zoeken?' Minder wanhopig en schril.

Op kalme verteltoon houd ik me aan de waarheid. 'Emma en ik waren vorige week hier. Toen zag ik drie koffiebekers in de schuur. Maar Stef zei dat hij alleen was met Septimus. Toen kwam ik op de gedachte dat iemand zich hier verstopte.'

Hij reageert niet.

'Je hoorde de vogels die ik heb opgejaagd,' zeg ik. 'Je bent echt goed.'

'Frankolijnen,' zegt hij.

'Je beweegt je goed in het bos. Ik had je niet gehoord.'

Hij blijft besluiteloos staan, als een hond die achter een autobus aanjaagt maar niet weet wat hij ermee moet als hij hem gevangen heeft.

'Jacobus, ik ga nu opstaan. Ik zal het langzaam doen. En dan loop ik hier weg en val je niet meer lastig. Mijn werk zit erop.'

'Nee.'

Ik weet waarom hij dat geen goed idee vindt. 'Ik zal niemand vertellen dat je hier bent. Ik zweer het. Op God.' Misschien werkt dat in Hb-kringen. Ik draai mijn hoofd heel langzaam naar hem toe. Ik zie dat hij naar het grote huis kijkt en dan weer naar mij. Dit is Cobie de Villiers, de man op de foto van Jack Phatudi. Hij zweet, zijn gezicht glimt in het maanlicht, zijn ogen staan onrustig en hij houdt het vuurwapen met gestrekte armen vast. Het ziet eruit als een mac-10. Het goedkoopste machinepistool op de markt, maar net zo doeltreffend als het duurste.

Hij wil niet dat ik naar hem kijk. Dat is het grootste gevaar. Het is moeilijker iemand dood te schieten als je hem net in de ogen hebt gekeken. Ik zoek oogcontact. Zijn ogen flitsen heen en weer alsof hij geen besluit kan nemen. Zijn mond staat een beetje open, hij ademt zwaar en ik weet dat ik iets moet doen, ik kan het me niet veroorloven te wachten tot hij een beslissing heeft genomen. Hij is bang, hij wordt door de politie gezocht, hij is een voortvluchtige moordenaar die niemand kan vertrouwen en ernstig overweegt me dood te schieten. Dus wacht ik tot hij weer een fractie van een seconde wegkijkt, stoot mijn linkerhand omhoog om de loop van de mac weg te slaan, zwaai mijn rechterbeen uit. Schoten knallen oorverdovend bij mijn oor, pijn brandt aan mijn achterhoofd, ik veeg met mijn been zijn voeten onder hem vandaan en hij valt, het machinepistool ratelt in een boog, zijn linkerarm probeert zijn val te breken en dan sla ik hem hard met mijn vuist tegen zijn jukbeen en grijp met beide handen de mac.

Hij doorstaat de klap goed, want hij laat zijn greep op het wapen niet verslappen. Ik voel iets warms in mijn nek lopen. Ik vermoed dat ik bloed.

Cobie rukt het machinepistool heen en weer. Zijn gezicht vertrekt als een bezetene en hij maakt een laag, kermend geluid. Hij is niet veel groter dan ik, maar sterk, en hij denkt dat hij voor zijn leven vecht.

Ik laat de mac los en sla hem weer, mik op het kaakbeen maar tref zijn oogkas, zodat zijn hoofd achteroverslaat, maar hij zwaait het machinepistool naar me toe. Ik grijp de loop met mijn linkerhand en sla hem weer met de rechter, tegen zijn oor. Zonder noemenswaardig effect.

Achter ons gaat licht aan in het tweede arbeidershuisje en ik kan Cobies vertrokken gezicht zien. Zijn wenkbrauw bloedt.

Ik sla hem weer, zo hard ik kan. Hij rukt zijn hoofd weg en ik raak zijn kin, maar niet met genoeg kracht. Ik verplaats mijn gewicht, zodat ik boven op hem kom, mijn rechterhand zoekt naar zijn keel. Hij worstelt en grijpt mijn onderarm met zijn linkerhand.

Er gaat een deur open, een lichtstraal valt naar buiten. Als dit Septimus is en hij heeft een wapen, zit ik in de problemen. Ik laat Cobie helemaal los en duik in het gras op zoek naar de Glock. Ik zie hem glimmen, pak hem en rol terug naar Cobie. Hij ligt nog, maar is bezig de mac op mij te richten, ik ga het niet redden. Ik duik op hem af. Hij mikt op me en haalt de trekker over. Alleen de scherpe klik van metaal. Zijn magazijn is leeg. Ik ben bij hem, stoot de loop van de Glock met geweld tegen zijn wang en kijk naar de deur.

Seppie staat daar met een jachtgeweer dat naar de sterren wijst en met een verwilderde uitdrukking in zijn ogen. 'Cobie?' zegt hij.

'Gooi dat geweer neer of ik schiet Cobie dood,' zeg ik.

Cobie grijpt naar de Glock, hij is de angst voorbij, hij is wanhopig en gek, als een dier in het nauw. Ik stoot het pistool tegen zijn hoofd, rol weg en kom overeind op mijn hurken, de Glock in beide handen op Cobie gericht, en zeg op de redelijkste toon die ik met mijn razende ademhaling voor elkaar kan krijgen: 'Dit is een punt 45, Cobie. Ik zal je eerst alleen in je been schieten, maar daar lopen akelig grote slagaderen en ik kan niet garanderen dat je niet doodbloedt. Aan jou de keus.' Dan kijk ik naar Septimus, die nog steeds totaal versteend met het geweer in zijn hand staat.

'Septimus,' blaf ik.

Hij kijkt me aan. Hij is bang.

'Leg dat geweer neer. Nu.'

'Oke.'

Hij bukt langzaam en legt het geweer met groot ontzag op de strook cement voor zijn deur. Cobie zit half overeind, zijn borstkas gaat op en neer, niet rustig, maar in elk geval stil, de mac nog in zijn rechterhand.

'Liggen,' beveel ik Septimus.

'Waar?'

'Waar je maar wilt, idioot. Uit de buurt van het geweer.'

Hij gaat op zijn buik liggen.

Ik sta op en loop naar Jacobus.

'Cobie, leg dat wapen neer.'

Hij doet het met tegenzin, al is de mac leeggeschoten. Maar ik weet niet of hij nog een magazijn in zijn zak heeft.

'Sta op,' zeg ik tegen hem.

Hij komt overeind. Ik geef hem een kniestoot vlak boven zijn navel, zo hard mogelijk. Hij valt voorover, zijn mond wijd open, snakkend naar adem.

Ik ruk de mac uit zijn handen en slinger hem ver het veld in. 'Dat was omdat je me dood wilde schieten, Cobus. En om je te laten kalmeren, want jezus, je kop is op hol geslagen.'

Cobie gaat liggen, in foetushouding, wanhopig hijgend en rochelend.