Onzichtbaar - Onzichtbaar Part 33
Library

Onzichtbaar Part 33

Toen ze in de deuropening stond, en haar borsten en heupen showde, vroeg ik me af hoe lang ik al had geweten dat het zou gebeuren. Wanneer werd ik me ervan bewust dat ik zou opstaan en naar haar toe zou gaan? Hoeveel van mijn aarzeling was alleen bedoeld om mijn geweten te sussen? Want ik wilde dit, ik hongerde ernaar. Naar de intensiteit en de verrukking en mijn eigen drang om de woede weg te neuken, woede om de onbereikbare Emma, woede om mijn zwakheid en mijn voorspelbaarheid en mijn onbeholpenheid. Lemmer en Sasha. In tegenstelling tot Martin en Tersia. Op een bepaalde manier vogels van dezelfde pluimage, die op een onwaarschijnlijk bed twee uur lang verbeten lagen te paren, als beesten. De hitte, die zal ik het langst onthouden. De hitte van die nacht, van haar lijf, van in haar zijn, van mijn drift en haar drang. Hoe ze naar boven riep, uit dank of uit angst, steeds maar weer: 'O God, o God, o God.'

Maar dan wordt mijn gedachtegang onderbroken door lichten bij het hek, en ik schrik op in het donker van de plotselinge terugkeer naar hier, naar het bos, en de eerste dominosteen die wankelt.

Ik pak de Glock, ga op mijn buik liggen en kijk.

Iemand stapt uit, een pick-uptruck zo te zien, en doet het hek open. De afstand is te groot om hem te kunnen identificeren.

De pick-up rijdt door het open hek, met groot licht, en wacht tot degene die het hek open heeft gedaan het weer dichtdoet en instapt. Dan komt hij aanrijden over het karrenspoor.

Ik kijk niet in de felle lichten, anders kan ik niet meer zien in het donker, maar ik wil weten wie er in de auto zitten.

Dit had ik niet verwacht. Zo'n rechtstreekse aanval. Open en bloot.

Er moeten er nog meer zijn, dit is een afleidingsmanoeuvre, de anderen komen door de nacht aansluipen met donkere kleren, bivakmutsen en nachtzichttelescopen op sluipschuttergeweren. Ik draai mijn hoofd weg van de auto, mijn ogen en oren zoeken. Laat de pick-up maar naar het lege huis rijden, daar zullen ze niets vinden.

De auto komt dichterbij, de cabine is donker. Ik kijk snel, maar kan niet zien wie erin zitten. Ze rijden voorbij, de boomtunnel in, de lichten zijn nu alleen flitsen in het bos.

De anderen zullen niet via het hek binnenkomen. Ze klimmen over de afrastering, misschien verder naar het oosten, verder naar het westen. Vijf, tien, vijftien minuten later. Ik moet gewoon wachten, stilliggen en wachten. Ik kijk naar de oplichtende cijfers van mijn horloge. 20.38. Waarom zo vroeg? Waarom niet gewacht tot ik in de kleine uurtjes van de ochtend tegen de slaap vecht?

Omdat ze vermoeden dat ik alleen ben? Ze zijn natuurlijk vol zelfvertrouwen, nachtsluipers met ervaring, jagers van de vermoedelijk nietsvermoedende prooi.

De motor van de pick-up is bijna niet meer te horen en valt dan helemaal stil. Ze moeten bij het huis zijn gestopt. Niet gaan kijken, maak je daar geen zorgen over, wacht gewoon hier. Wacht ze op.

Vaag hoor ik ze roepen bij het huis. 'Lemmer!' De laatste lettergreep langgerekt. Drie keer roepen ze. Dan is het weer stil.

20.43. Niets. Alleen de nachtgeluiden.

Mijn nachtzicht is weer normaal. Ik kijk langzaam heen en weer, met ingehouden adem, zodat ik alles kan horen.

Niets.

20.51.

Ik begrijp hun strategie niet. Waarvoor zouden ze de pick-up anders gestuurd hebben dan als afleiding? Lagen er nog drie of vier man in de achterbak, als een Trojaans boerenpaard? Slaat nergens op. Je leidt de aandacht af zodat je op een andere plek, uit een andere richting, kunt verrassen, maar als de tijdberekening niet klopt, stort alles in elkaar. Je moet de aandacht bij punt A houden en infiltreren via punt B.

Als de aandacht verschuift, is de strategie mislukt.

21.02. Ik moet de drang onderdrukken om op te staan, om naar een plek te sluipen vanwaar ik het huis kan zien. Wat doen ze daar? Waarom zijn ze stil?

Doorzoeken ze het terrein? Portofoons waarmee ze de anderen instructies geven? We kunnen nu zien dat er maar een toegangsweg is, jullie moeten zus en zo doen.

Ik moet gewoon wachten. Er is geen andere mogelijkheid. Maar ik begin daar steeds minder zeker van te worden. Nee, dit is wat ze willen. Onzekerheid. Want dan ga je fouten maken. Ik heb het heft in handen. En zo moet ik het houden.

Ik hoor ze opeens weer roepen, om 21.08. Mijn naam en iets anders, wat ik niet versta. Ik negeer het. De kolf van de Glock voelt zweterig in mijn hand, de stenen en boomwortels drukken ongemakkelijk tegen mijn benen en borst.

Stilte.

Tegen 21.12 uur zijn ze al een halfuur hier en is er geen beweging geweest, geen geluid van de kant van de afrastering of van het pad.

Drie minuten later hoor ik weer de motor van de pick-up, eerst zacht, dan steeds harder. Ze rijden terug. Dan zie ik de lichten door het bos.

Die lichten zijn echt idioot. Dat ontneemt hen alle zicht, ze zullen blind zijn in het donker, waarom doen ze dat?

Ze stoppen midden in het bos, schakelen het licht uit en dan de motor.

'Lemmer!'

Het is de stem van Branca.

'Ben je daar?'

Het bos is nu stil, het nachtleven geintimideerd.

'Lemmer!'

Hij wacht op reactie.

'Ik ben het, Donnie Branca. We willen met je praten. We zijn maar met z'n tweeen.'

Ik kijk niet naar hen maar focus op het zichtbare niemandsland.

Daar is niets.

'Lemmer, je vergist je. Wij hebben het niet gedaan. Wij zouden Emma le Roux nooit kwaad doen.'

Natuurlijk niet. Jullie zijn onschuldige dierenreddertjes.

'We kunnen je helpen.'

Dan praten ze met elkaar, niet zacht, maar ik kan niet horen wat ze zeggen.

Het geluid van portieren die opengaan en dichtgeslagen worden.

'Lemmer, we zijn uitgestapt. We blijven gewoon bij de auto staan. Als je ons kunt zien, weet je dat we niet gewapend zijn. Kijk maar. We blijven hier gewoon staan.'

Nu is het tijd voor de anderen om te komen, nu ze denken dat ze mijn aandacht hebben. Ik zwaai de loop van de Glock van links naar rechts, mijn blik gaat dezelfde kant uit en dan weer terug. Geen beweging, geen voetstappen, geen takje dat kraakt of breekt, alleen de stilte en de insecten.

'We begrijpen dat je ons verdenkt. We begrijpen het, we snappen dat het zo moet lijken, maar ik zweer bij God dat wij het niet waren.'

O, zweren bij God? Nee, dan geloof ik jullie. Denken jullie dat ik een totale idioot ben?

Maar waar zijn de anderen? Of ligt er iemand in de achterbak? Sluipen ze nu door het bos, achter me? Ik draai me langzaam en voorzichtig om. Het zal moeilijk zijn ze te horen en te zien. Het zou briljant zijn houd zijn aandacht vast en besluip hem van de kant waar hij dat het minste verwacht.

Ik hoor hun stemmen weer iets bespreken, maar ik richt nu al mijn aandacht op het struikgewas om me heen. Het front is 360 graden, het wordt moeilijker, maar ze weten niet waar ik ben, ze weten niet eens zeker of ik er wel ben.

'H.B. staat voor "hemoglobine".' Een andere stem, bekend, ik weet niet meteen wie het is. Dan herken ik hem aan de langzame, afgemeten manier van praten: Stef Knipoog Moller van Heuningklip.

Stef? Hier?

Er volgt een lange stilte. Ik draai in het rond, met de Glock voor me uit. Er is niets te zien, alleen de stilte van het bos.

Ze brommen weer iets tegen elkaar. Donnie Branca roept met een zekere teleurstelling: 'Dan gaan we maar weer,' en als ik hoor hoe een van hen zijn portier opendoet, roep ik: 'Wacht!' en ga met mijn borst tegen de dikke boomstam staan om de mogelijkheden met 180 graden te verminderen.

36.

'Ga voor de auto op de grond liggen,' zeg ik en ik verplaats me eerst naar het noorden, in de richting van het huis, en daarna naar het oosten, hun kant uit. Weer met een boom als gedeeltelijke beschutting.

'We liggen.'

Ik verplaats me weer snel, ik wil de pick-up van achteren benaderen, want ik wil zeker weten dat er niemand achterin zit.

'Ik kom!' roep ik en ik ren zigzaggend tussen de bomen door, om geen makkelijk doelwit te zijn. Ik zie de pick-up. Toyota single-cab. Ik blijf weer even staan, zwaai de Glock van west naar noord, ren naar de achterkant van de pick-up en richt het pistool daarop. Als ze nu opstaan, kan ik er minstens twee omver blazen voordat ze mij te pakken hebben. Ik ben bij de auto, daar is niemand, de bak is leeg, ik ren door tot waar zij voor de auto liggen, Stef Moller links, Donnie Branca rechts. Ik druk de loop tegen Mollers borst en zeg: 'Het is de bedoeling dat je op je buik ligt, Stef. Kijk je nooit televisie?' Hij zegt: 'Eh, o, nee, eigenlijk niet, sorry...' Hij draait zich om en op dat moment barst ik bijna in lachen uit, door de combinatie van adrenaline en anticlimax.

Ik zet mijn knie in Mollers rug, houd de Glock tegen zijn achterhoofd en vraag: 'Waar zijn de anderen?'

'Er zijn geen anderen, alleen wij,' zegt Branca.

'We zullen zien,' zeg ik. 'Houd je handen waar ik ze kan zien.'

Hij schuift zijn handen ver vooruit. 'Je hebt het mis, Lemmer. Wij zijn niet degenen die jullie hebben aangevallen.'

Ik begin Moller te fouilleren op wapens. Ik vind niets. 'Gisteren had je het over een ongeluk en nu is het opeens een aanval.'

'Gisteren wilde ik mijn medeleven uitdrukken, het was maar een woord. Mijn Afrikaans...'

Ik loop naar Branca en voel op de plaatsen waar ik denk dat hij een vuurwapen kan verbergen. 'Je Afrikaans is goed genoeg als het je zo uitkomt. Doe je handen achter je hoofd en draai je om zodat ik kan zien of je gewapend bent.'

Hij doet wat ik zeg. 'We hebben geen wapens. We zijn hier om te praten.'

Ik wil het eerst zeker weten, maar hij spreekt de waarheid. 'Ga weer op je buik liggen.' Ik ga met mijn rug tegen de voorkant van de pick-up zitten, tussen hen in.

'Kom op dan, praat.'

'Wat wil je weten?'

'Alles.'

'Maar je zei dat je alles wist.'

'Vertel het me toch maar.'

Stef Moller begint. 'Dat met de sangoma en de gierenstropers was fout,' zegt hij.

'Fout?'

'We hebben regels. Principes. En moord hoort daar niet bij.'

'We?'

'Hb. Hoofdletter H, kleine b, zonder punten ertussen. Die Laevelder had het mis.'

'Wat is Die Laevelder?'

'Het krantje van Nelspruit. Zij hadden die hoofdletter H punt, hoofdletter B punt. Daardoor heeft iedereen het over Honey Badgers.'

'En Hb staat voor hemoglobine.'

'Ja.'

'Waarom?'

'Heel veel redenen. Hemoglobine zit in ons bloed, en in het bloed van dieren. Het vervoert zuurstof. Wij hebben het nodig, de planeet heeft het nodig, het is het tegenovergestelde van kooldioxide. Het is niet te zien met het blote oog. Het bestaat uit vier elementen. Wij ook.'

'En dat zijn?'

'Natuurbehoud, bestrijding, communicatie en organisatie.'

'Jullie klinken als de Voortrekkersbeweging. Of de Broederbond.'

'Dat slaat nergens op.'

'Waarom vertel je me dit allemaal, Stef?'

'Je zei dat je alles wist...' Met veel geduld. 'Nu weet je dat we je niet voorliegen.'

'Die sangomatoestand. Dat waren jullie dus.'

'Dat was Cobie.'

'Cobie hoort bij jullie.'

'Cobie is meegesleept. Hij is... onstabiel. Dat hebben we te laat beseft.'

'Je hebt tegen Emma gelogen over Jacobus. Jullie alle twee.'

'Niet over alles.'

'Vertel het dan vanaf het begin, Stef, zodat ik begrijp over welke dingen jullie gelogen hebben.'

'Mag ik gaan zitten?'