Maar waarom zou Emma le Roux een bedreiging voor hen vormen? Waarom zou de H.B.-groep drie van zijn gemaskerde helden naar de Kaap sturen omdat een klein, tenger vrouwtje gebeld heeft naar inspecteur Jack Phatudi? Hoe zouden ze van het telefoongesprek hebben geweten? Wat wilden ze haar aandoen? En waarom?
Het aantal mogelijkheden is verlammend. De Kaapse overval en het treinincident waren twee verschillende groepen. Of dezelfde groep. Elke optie heeft zijn eigen vragen en implicaties. Jack Phatudi maakt deel uit van iets, of helemaal niet. Of van iets anders. Cobie de Villiers is Jacobus le Roux. Of niet. De dood van Frank Wolhuter was een ongeluk. Of niet. De Jeep had een kenteken uit Gauteng. Dat vals kan zijn. Of niet.
Niets klopt. Maar de wegwijzer naar Acornhoek voorkomt dat ik er nog langer over pieker.
Ik sla meteen na het station links af, zoals Dick heeft gezegd, maar dan staan er allemaal politieauto's en is de straat te smal om te keren.
Vijf politiepick-ups en een horde blauwe uniformen die in groepjes rondhangen. De Audi is even opvallend als een non op een workshop sekstherapie. Ze kijken met achterdochtige ogen naar me. Het roze betonnen muurtje is een bont baken, en dan zie ik Jack Phatudi voor het bescheiden bakstenen huisje staan. Hij schreeuwt iets, zwaait met zijn armen, en een uniform holt naar me toe en steekt een bevelende hand op: stop.
Ik zet de auto aan de kant en stap uit. De hitte is overweldigend, geen boom in de buurt voor koelte. Phatudi komt aanbenen door het hekje in het betonnen muurtje.
'Martin,' zegt hij met diepe afkeer.
'Jack.'
'Wat zoek je hier?' Heel agressief.
'Ik was op zoek naar jou.'
'Mij?'
'Ik wilde je een paar vragen stellen.'
'Wie heeft je verteld dat ik hier ben?'
'Je bureau,' lieg ik. 'Wat is hier aan de hand?'
'Edwin Dibakwane is dood.'
'De hekwachter?'
'Ja, de hekwachter.'
'Wat is er gebeurd?'
'Weet je dat niet?'
'Hoe moet ik dat weten, Jack? Ik kom net bij Mohlolobe vandaan.'
'Wat deed je daar?'
'Onze rekening was nog niet betaald. Wat is er met Edwin gebeurd?'
'Dat weet je best.'
'Dat weet ik niet.'
'Natuurlijk weet je het wel, Martin. Hij heeft jullie een bericht gegeven.' Hij komt op me af. 'Wat is er gebeurd? Wilde hij niet zeggen waar de brief vandaan kwam?' Phatudi komt vlak voor me staan. Er zit woede in hem. Of is het haat? 'Heb je toen zijn nagels uitgetrokken? Is dat wat je hebt gedaan? Omdat hij het niet wilde vertellen? Heb je hem toen gemarteld en doodgeschoten en zijn lijk bij de plantage van Green Valley gedumpt?'
De zwarte agenten komen dichterbij, een cordon van achterdocht.
'Heeft iemand zijn nagels uitgetrokken?'
'Heb je ervan genoten, Martin?'
Ik moet kalm blijven. Ze zijn in de meerderheid. 'Denk je niet dat je eerst in de SouthMed-kliniek moet vragen of ik misschien een alibi heb, Jack?'
Zijn armen gaan omhoog en heel even denk ik dat hij gaat slaan en ik zet me schrap. Maar zijn beweging wordt een gebaar van frustratie. 'Jullie... Waarvoor? Problemen. Jullie geven alleen maar problemen. Jij en die vrouw. Vanaf het moment dat jullie hier zijn. Wolhuter... Le Roux in het ziekenhuis. En nu dit. Jullie zijn hier problemen komen maken.'
'Wij, Jack?' Ik mag nu niet boos worden. Ik haal diep adem. 'Vertel eens, waarom heb je Emma niet verteld van de gemaskerde mannen die honden doodschieten en mensen aan dode antilopen vastbinden? Waarom heb je eergisteren niets tegen me gezegd over de Honey Badgers toen ik je vertelde dat de lui die op Emma hebben geschoten bivakmutsen droegen? Je kunt mij niet wijsmaken dat je het verband niet hebt gelegd, Jack. Je had allang problemen voordat wij hier waren.'
Als ik had gedacht dat ik hem hiermee kon sussen, had ik het mis. Hij zwelt op als een brulkikker. In zijn woede kost het hem moeite uit zijn woorden te komen. 'Dat is niks. Niks. Edwin Dibakwane... Hij heeft kinderen. Hij... Jullie... Wie doet dit? Wie doet dit een mens aan? Het enige wat hij... een brief, dat is het enige wat hij had gedaan. Jullie...'
Ik heb niet veel opties meer. Ik ben me bewust van de vijandschap van de politie om me heen. Phatudi's redenering dat de aanwezigheid van Emma en mij de dood van Edwin tot gevolg heeft gehad is niet helemaal onterecht. Daarom zeg ik niets.
Hij kijkt me met absolute walging aan. 'Jullie...' zegt hij weer, maar dan slikt hij zijn woorden in en schudt zijn hoofd. Zijn grote handen gaan open en dicht. Hij draait zich om, loopt naar het huisje, blijft staan en kijkt om. 'Jij...' zegt hij, hij komt weer dichterbij, wijst naar me, zet zijn handen op zijn heupen en kijkt de straat uit, in de richting van het station. Hij zegt iets in een zwarte taal, twee, drie, galspuwende zinnen, en dan draait hij zich weer om. 'Orde,' zegt hij. 'Dat is mijn werk. De orde bewaren. De chaos bestrijden. Maar dit land...'
Nu richt hij zich weer tot mij.
'Ik heb jullie gewaarschuwd. Jullie weten niet hoe het hier is. We hebben problemen. Grote problemen. Deze plek. Het is hier als het open veld in de droogte. Het staat op het punt vlam te vatten. Maar wij slaan het vuur uit. We rennen van de ene brand naar de andere en slaan ze uit en dan komen jullie aanzetten en jullie willen alles in de fik steken. Laat ik je dit vertellen, Martin, als we het niet tegenhouden, wordt het vuur zo groot en gaat het zo snel, zo ver dat het alles zal verbranden. Alles en iedereen. Niemand zal het kunnen stoppen.'
Een paar agenten om ons heen knikken en brommen bevestigend. Even ben ik bereid om zijn standpunt te zien. Maar dan wordt hij persoonlijk.
'Jullie moeten weg. Jij en die vrouw.' Hij spuugt de woorden uit. Met haat. Ik moet niet reageren. Mag niet reageren. 'Jullie hebben je eigen problemen hierheen gehaald.' Zijn wijsvinger is een wapen. 'Dat willen we niet. Neem ze mee en ga weg.'
Ik hoor de woede in mijn eigen stem opstijgen. 'Het zijn jullie problemen die naar haar toe zijn gekomen. Zij heeft dit allemaal niet opgezocht. Het is haar komen halen.'
'Komen halen? Ze heeft een foto op tv gezien.'
'En toen heeft ze jou gebeld, en twee dagen later kwamen drie mannen met bivakmutsen haar voordeur intrappen om haar te vermoorden. Wat had ze moeten doen, Jack? Vertel eens wat ze had moeten doen.'
Hij komt weer dichterbij. 'Toen heeft ze mij gebeld?'
'Diezelfde avond dat het op het nieuws was, heeft ze jou gebeld en gevraagd of de man die jij zoekt misschien Jacobus le Roux was. Weet je dat nog?'
'Er hebben zoveel mensen gebeld. Zoveel.'
'Maar zij is de enige die aangevallen is omdat ze gebeld heeft, Jack.'
'Ik geloof je niet.' Arrogant, uitdagend. Hij wil dat ik boos word, mijn zelfbeheersing verlies.
Ik ruk de nieuwe telefoon uit mijn zak en steek hem die toe. 'Bel je collega's in Kaapstad, Jack. Vraag of er een dossier van bestaat. Maandag 24 december. Overval op het huis van Emma le Roux, tien uur 's ochtends. Bel ze.'
Hij negeert de telefoon.
'Kom op, Jack, pak die telefoon en bel.'
Phatudi's diepe frons is terug. 'Waarom heeft ze me dat niet verteld?'
'Omdat ze niet dacht dat het nodig was. Ze dacht dat het voldoende zou zijn om netjes om hulp te vragen.'
'Het enige wat ze vroeg was over die foto's.'
'Ze heeft je ook gevraagd naar de gierenmoorden.'
'Dat was sub judice.'
'Sub judice? Waarom? Om jouw reet te beschermen?'
'Wat?' Hij komt nog dichterbij.
'Denk even goed na, want er zijn hier getuigen, Jack. Ze ziet het tv-nieuws. 22 december. Ze belt jou. Jij zegt dat Cobie de Villiers niet Le Roux kan zijn, want iedereen kent hem en hij woont hier al zijn hele leven. Daar neemt ze genoegen mee. Ze laat het idee los en praat er met niemand over. Op 24 december breken ze bij haar in, maar ze heeft geluk en weet weg te komen. Diezelfde middag belt iemand haar en zegt iets over "Jacobus". De lijn is slecht, ze hoort het niet goed. Ze huurt een lijfwacht in en komt hierheen. Je weet wat hier gebeurd is.'
'Dus?'
'Dus de enige connectie met die overval op haar ben jij, Jack. Het telefoongesprek dat zij met jou heeft gehad.'
'Masepa.'
'Wat?'
'Gelul.'
'Gelul?'
'Ik herinner me niet eens dat ze gebeld heeft, Martin.' Maar hij is in de verdediging gedrongen.
'Wie was er bij je?'
'Niemand.'
'Is het gesprek opgenomen?'
'We zijn de politie, niet de geheime dienst.'
'En je hebt niemand verteld van haar telefoontje?'
'Ik zeg het toch, ik herinner me niet eens meer dat ze gebeld heeft. Er waren er... ik weet het niet, vijftig, zestig... De meeste waren flauwekul.'
'Waarom heb je haar niet verteld van de Honey Badgers? Die dag bij Mogale?'
'Waarom zou ik?'
'Waarom niet?'
'Wat bedoel je, Martin? Moet ik ergens de schuld voor op me nemen?'
'Ja, Jack. Ik weet nog niet wat, maar jij bent onderdeel van het hele gekloot en ik kom er nog wel achter. En dan kom ik bij jou.'
'Jij? Jij? Jij bent gevangenisuitschot. Zo praat je niet tegen me.' Hij komt tegen me aan staan en we staan als twee kemphanen, borst tegen borst. Ik wil hem slaan, al mijn frustratie en woede laten overkoken, alles uitleven op de man hier voor me. Ik wil naar het land waar de tijd stilstaat, de kamer van het grijsrode waas. De deur staat wagenwijd open, uitnodigend.
Later vraag ik me af wat me heeft tegengehouden. Was het de overmacht aan politie? Best mogelijk. Ik ben niet achterlijk. Misschien werd ik bedwongen door het enige wat gevangenisuitschot leert: dat je er aan de andere kant weer uit moet, terug naar de werkelijkheid, waar je duur betaalt voor je genoegens. En dat ik die prijs niet nog een keer kan betalen. Of was het de schaduw van een vrouw die met haar gezicht naar de regen stond, haar armen uitgestrekt naar de hemel?
Ik stap weg van de afgrond, en van Phatudi. Kleine, doelbewuste, trage, onwillige stapjes.
Dan draai ik me om.
31.
Phatudi's mannen lachen me uit wanneer ik naar de Audi loop.
Als ik instap, zie ik hem staan, breeduit, met een zelfingenomen grijns.
Ik draai de contactsleutel om en rijd weg.
Voorbij het station laat ik mijn woede overkoken, ik knal de auto in een hogere versnelling, trap het gas in en laat de kont te ver uitzwaaien over de weg, vechtend met het stuur trek ik hem recht, ik geef weer gas, met slippende banden, zoek houvast, en de Audi schiet vooruit, te veel toeren, snel schakelen, ik wil het gaspedaal door de vloer trappen, honderdzestig godverdomme, voor me is de aansluiting op de R40 en ik moet remmen, de auto siddert, heel even weet ik niet of ik het ga redden, maar ik sta stil in een stofwolk, zie mijn knokkels wit op het stuur en ik wil iets zeggen, iets schreeuwen, maar kan de woorden niet vinden.
Ik doe het portier open en stap uit. Een vrachtwagen met aanhanger dendert voorbij op de R40, hoog opgeladen met zware boomstammen. Ik schreeuw hem iets na, een zinloos geluid.
Een minibustaxi in de andere richting, vol zwarte gezichten die naar me staren, naar die bezwete blanke man langs de weg.
Ik weet niet waar ik naartoe moet. Dat is mijn probleem. Dat is de primaire bron van mijn frustratie en woede.
Phatudi heeft me geprovoceerd, getart en vernederd, maar daar kan ik mee omgaan. Hij kan wachten, tot het juiste moment en de juiste plek. Maar waar ik niets aan kan doen is het feit dat hij mijn opties tot nul heeft gereduceerd.
Op weg naar het huis met het roze beton had ik er drie: Edwin Dibakwane en de brief. Jack Phatudi en het telefoontje. Donnie Branca en Mogale. En nu is er niets meer. Edwin Dibakwane is dood. Iemand heeft hem gemarteld en doodgeschoten en op een plantage gedumpt. De link tussen het briefje en de schrijver is verbroken. Schrap optie 1.
Nee, niet helemaal. Dibakwane moet de mensen die zijn nagels uittrokken verteld hebben waar de brief vandaan kwam. Iemand weet het. Maar ik weet niet wie. Zo kom ik nergens.
Phatudi heeft de waarheid gesproken. Ondanks alles was zijn verbazing oprecht. Over de overval op Emma en het verband met haar telefoontje naar hem. Schrap optie 2.
Het enige wat overblijft, is het Mogale Opvangcentrum.
De drang om er nu heen te rijden en Donnie Branca in elkaar te rammen tot hij vertelt wat er aan de hand is, vreet aan me. Omdat ik iemand wil straffen. Namens Emma.
Ik wil iemands kop tegen een muur, een steen of een harde vloer bonken, keer op keer, tot zijn hersenen heen en weer botsen tegen de binnenkant van de schedel, coup en fucking contrecoup, tot zijn cerebrale cortex een bloederige brij is, dat is wat ik wil doen. Ik wil die twee gemaskerde kerels bij de spoorlijn de armen uit de kom draaien tot ik de pezen hoor knappen en de botten hoor versplinteren. Ik wil die sluipschutter te pakken krijgen, ik wil zijn geweer pakken en het door zijn tanden zijn bek in rammen, mijn vinger op de trekker leggen, hem recht aankijken en zeggen: 'Voel eens hoe het voelt, klootzak,' en dan wil ik zijn cerebrum tegen de muur laten spatten.
Maar wie? Waar?
Branca is mijn laatste hoop en wat doe ik als hij niet praat? Wat blijft er over als ik klaar ben met slaan en hij nog steeds niets heeft gezegd? Want hij kan het risico niet lopen, het is nu allemaal veel te veel geescaleerd een vrouw in coma, een hekwachter gemarteld en vermoord, een man in een leeuwenkooi gedood, en gekke Cobie de Villiers kan daar niet in zijn eentje verantwoordelijk voor zijn. Dreigbrieven naar boeren sturen, honden doodschieten en gebouwen platbranden is een ding. Maar als je er levenslang voor moet zitten, wordt het een heel ander verhaal.