Onzichtbaar - Onzichtbaar Part 13
Library

Onzichtbaar Part 13

Ik lees. Het is een hele prestatie om in het Guinness Book of Records beschreven te worden als het meest onverschrokken dier ter wereld, zeker als het dier in kwestie maar dertig centimeter lang is en hooguit veertien kilo weegt.

Een man die zich verstopt als hij van moord wordt verdacht, is niet bepaald 'onverschrokken'.

De honingdas leek onverzadigbaar als het om slangen ging; we zagen ooit een mannetje van twaalf kilo tien meter slang eten in niet meer dan drie dagen. En dan vertelt de schrijver over een honingdas die een cobra had gevangen, gebeten werd en binnen drie uur weer op de been was om zijn prooi te verorberen.

Jammer dat hier gisteravond geen honingdas was.

Ik hoor Emma.

Ik leg het tijdschrift neer en luister om zeker te zijn. Zachte snikken uit haar slaapkamer.

Wat doet een lijfwacht?

Ik blijf zitten.

De snikken worden afgewisseld met huilgeluiden, het klinkt als totale ontroostbaarheid.

Ik sta op, loop naar de deur en kijk voorzichtig om de hoek. Daar ligt ze, met schokkend lichaam.

'Emma...'

Ze hoort me niet.

Ik zeg haar naam weer, harder, voorzichtiger. Ze reageert niet. Ik loop langzaam naar haar toe, buk me en leg mijn hand op haar schouder. 'Emma...'

'Het spijt me,' zegt ze tussen de snikken door.

'Je hoeft je niet te verontschuldigen.' Ik klop haar zachtjes op haar schouder en het lijkt of dat een beetje helpt.

'Het slaat allemaal nergens op, Lemmer.'

Twee uur geleden was ze een wilde kat. 'Stil maar,' zeg ik, maar dat helpt niet.

'Het slaat nergens op,' herhaalt ze en ze veegt met een kleddernat zakdoekje over haar neus.

'Stil maar, stil maar.' Dat is het enige wat ik kan bedenken. Het heeft geen effect. Ik ga naast haar op het bed zitten en ze komt overeind en slaat haar armen om me heen. Dan laat ze zich gaan en huilt in volledige overgave.

Het kost haar zeker een kwartier om te bedaren, om tegen mijn borst uit te huilen. Ze klampt zich eerst aan me vast, als aan een reddingsboei, terwijl ik nog steeds onbeholpen met mijn hand op haar rug klop en geen flauw benul heb wat ik moet zeggen. Maar ze wordt rustiger, het snikken wordt minder, haar lichaam ontspant.

Ze valt in slaap. Dat merk ik niet meteen, want ik ben me te veel bewust van mijn verkrampte benen, de machteloosheid van mijn woorden, de warmte van haar lichaam tegen me aan, haar geur, het nat van haar tranen tegen mijn overhemd... Dan besef ik eindelijk dat haar ademhaling diep en langzaam is en als ik kijk zie ik dat haar ogen dicht zijn.

Ik leg haar zacht terug op het kussen. De airco is koel. Ik trek het dekbed over haar heen, sluip weg, en ga in mijn stoel zitten.

Ik zal mijn mening moeten herzien. Misschien is ze alleen een mooie jonge vrouw die verschrikkelijk graag haar overleden broer terug wil hebben. Misschien is die hoop met elk nieuw stukje informatie afgebrokkeld, maar heeft ze zich eraan vastgeklampt, is ze blijven geloven in de mogelijkheid van complotten en geheimen. Tot vanochtend. Nu zit ze klem tussen twee even onaanvaardbare mogelijkheden: Cobie de Villiers is haar broer en een moordenaar. Of hij is niets van haar. Misschien is het alsof ze hem weer helemaal opnieuw verliest.

En misschien moet ik voorzichtig zijn. Misschien moet Lemmers Wet over Kleine Vrouwen herschreven worden, zodat hij luidt: vertrouw jezelf niet.

Ik kan me niet op het tijdschrift concentreren. Mijn hand herinnert zich de contouren van Emma's rug. Mijn hart herinnert zich de hulpeloosheid, de verlorenheid.

Ik ben gewoon de lijfwacht. Ik ben gewoon degene die beschikbaar is. Ze zou op iedere schouder gehuild hebben.

Ze is een hoogopgeleide, intelligente, sociaal aangepaste, schatrijke, mooie jonge vrouw. En ik ben Lemmer uit Seepunt en Loxton. Dat mag ik nooit vergeten.

Dit is de tweede keer in vierentwintig uur dat ik Emma le Roux in bed leg. Misschien kan ik een bonus vragen.

18.

Aan het eind van de middag is Emma een uur in de badkamer bezig. Als ze eruit komt en zegt: 'Zullen we gaan eten?' is niet meer te zien dat ze gehuild heeft. Ze heeft voor het eerst een jurk aan, wit met kleine rode bloemetjes, blote schouders, haar voeten in witte sandalen. Ze lijkt jonger, maar haar ogen zijn oud.

We lopen zwijgend door de schemering. In het westen is de zon achter dramatische torens van onweerswolken geschoven. Bliksem flonkert in de spierwitte cumulus, het is ondraaglijk vochtig, het is zo verschrikkelijk heet dat zelfs de vogels en insecten stil zijn. Alsof de natuur haar adem inhoudt.

Soe-zin van de receptie, de Boerenblondine die alleen maar Engels spreekt, onderschept ons op weg naar het restaurant voor het avondeten. 'O, Miss Le Roux, how are you? Ik heb gehoord van de mamba, we vinden het allemaal zo erg voor u. Is de suite nu oke?'

'It's fine, thank you very much,' antwoordt Emma mat, duidelijk nog terneergeslagen.

'Wonderful. Enjoy your dinner...'

Als we zitten, zegt Emma: 'Ik moet Afrikaans tegen haar praten.'

'Ja,' zeg ik zonder nadenken.

'Ben jij een voorvechter van het Afrikaans, Lemmer?' vraagt ze zonder overmatig veel belangstelling, alsof ze weet dat ik de vraag ga ontwijken. Of misschien hoort het alleen bij de nieuwe neerslachtigheid.

'Een beetje.'

Ze knikt afwezig en trekt de wijnkaart naar zich toe. Ze staart ernaar en kijkt dan op naar mij. 'Ik...' zegt ze zacht. 'Ik ben soms ook een beetje dom...'

Ik zie schaduwen onder haar ogen die niet helemaal zijn gecamoufleerd door de lichte make-up. Ze probeert te glimlachen, maar het lukt niet erg: 'Als ik Afrikaans tegen haar ga praten, krijg je zo'n moment. Dan zegt zij: "O, zijn jullie Afrikaans?" en dan doet ze alsof ze verbaasd is terwijl we allemaal weten dat zij het al wist en dan ontstaat er zo'n ongemakkelijke situatie.' Ze probeert weer te glimlachen, maar zonder succes. 'Dat is typisch iets voor Afrikaners. We willen alle ongemakkelijkheid vermijden, nietwaar.'

Voordat ik een reactie kan bedenken, concentreert ze zich weer op de wijnkaart en zegt met een vaag soort vastberadenheid: 'Vanavond gaan we wijn drinken. Wat vind jij lekker?'

'Ik... ik heb dienst, dank je.'

'Nee, vanavond niet. Wit of rood?'

'Ik ben eigenlijk geen wijndrinker.'

'Bier?'

'Mousserend druivensap, Grapetiser bijvoorbeeld, zou lekker zijn, dank je.'

'Drink je helemaal niet?'

'Geen alcohol.' Ik reken erop dat ze niet zal doorvragen, want net als bij de kwestie van het Afrikaans, zijn er heel wat mogelijke ongemakkelijke antwoorden op de vraag 'waarom'. Ik heb het mis, zoals meestal bij mijn voorspellingen over Emma.

'Is het een principekwestie?' vraagt ze heel voorzichtig.

'Niet echt.'

Emma schudt haar hoofd.

'Wat?' vraag ik.

Ze aarzelt voordat ze antwoordt, alsof ze eerst de kracht bij elkaar moet schrapen. 'Je bent een raadsel, Lemmer. Ik heb me altijd afgevraagd wat het betekent als ik over iemand lees dat hij een raadsel is, maar nu weet ik het.'

Misschien omdat ze mij als 'stil en stom' beschreven had, misschien alleen omdat ik haar wil opmonteren, zeg ik: 'Leg eens uit wat er zo lekker is aan alcohol, want ik begrijp het niet.'

'Je bedoelt toch niet dat dit een uitnodiging is voor een heus, echt gesprek, Lemmer?'

'Je hebt gezegd dat ik vanavond vrij ben.'

'Aha.' Ze legt de wijnkaart neer. 'Nou goed.' Ze kijkt op, naar de kroonluchter boven ons, ademt in en begint dan te praten, eerst langzaam, alsof ze er zeker van wil zijn dat ze de juiste woorden gebruikt. 'Ik houd van rode wijn. Ik houd van de namen. Shiraz. Cabernet. Merlot. Pinotage. Het rolt lekker over je tong, het klinkt zo... geheimzinnig. En ik houd van de complexe geur. Er zit iets mystieks in die geur...'

En dan sneller, steeds vloeiender, alsof ze ergens van loskomt: 'Het is als een handelsroute die langs eilanden met vruchten en specerijen loopt. Je ziet de eilanden nooit, maar aan de geuren die over het water aan komen waaien, kun je ruiken hoe het daar is... exotische, felle kleuren, dichte wouden, mooie mensen die dansen bij het licht van vuren... Ik houd van de kleur. En hoe die in zonlicht anders is dan bij kaarslicht. Ik houd van de smaak, want hij dwingt me te proeven, me er even op te concentreren, mijn tong eromheen te rollen op zoek naar wat lekker is. En ik houd van wat rode wijn vertegenwoordigt: een... gemoedelijkheid, een gezelligheid. Het is een soort sociaal symbool dat we ons vertrouwd genoeg voelen in elkaars gezelschap om samen van een glas wijn te genieten. Dan voel ik me beschaafd... en dankbaar dat ik het voorrecht heb om van iets te genieten wat met zoveel zorg en kennis en kunde is gemaakt. Vertel jij mij maar eens wat daar niet lekker aan is.'

Ik schud mijn hoofd, deels omdat ik met haar van mening wil verschillen, deels omdat ik niet kan geloven waar ik mee bezig ben. 'Wijn is niet lekker. Punt. Het is niet zo erg als whisky, maar erger dan bier. Het is lang niet zo lekker als druivensap. Maar druivensap is niet gecultiveerd, ook al ziet het er in zonlicht anders uit dan bij kaarslicht. Zoete wijn is een uitzondering, maar dat drinkt niemand in beschaafd gezelschap, niet eens een goede late oogst. Waarom niet? Gewoon omdat het niet dezelfde status heeft. En daar ligt het hele antwoord. Status. Het is een oude kwestie. Onze beschaving is in Mesopotamie ontstaan, en druiven deden het daar niet goed. De Mesopotamiers maakten bier uit graan, en dat werd door iedereen gedronken. Maar de rijken willen niet drinken wat iedereen drinkt. Dus voerden ze wijn in uit de hooglanden van Iran. Omdat die duurder was, omdat het volk die niet kon betalen, had wijn status, smaak had er niets mee te maken. Dus schiepen ze de mythe: wijn is voor de gecultiveerde tong, voor de vermogende smaak. En achtduizend jaar later geloven we dat nog steeds.'

Ik vind het leuk zoals ze naar me kijkt terwijl ik praat: geboeid en verrast. Als ik klaar ben, lacht ze, een kort, vrolijk geluid, als van iemand die een cadeautje heeft uitgepakt. Ze wil iets zeggen, maar dan komt de wijnkelner en wendt ze zich tot hem, wijst op de menukaart en zegt: 'Ik wil graag deze merlot en het beste rodedruivensap dat jullie hebben, en breng twee extra glazen alsjeblieft.'

De kelner noteert het en als hij weg is, leunt ze weer achterover en vraagt: 'Waar heb jij verstopt gezeten, Lemmer?' Ze houdt haar kleine hand omhoog en voegt eraan toe: 'Doet er niet toe, ik ben alleen maar blij dat je er bent. Lees je veel? Hoe weet je dat allemaal?'

Vier jaar in de bak, Emma le Roux, dat geeft een mens een hoop tijd.

'Ik heb het een en ander gelezen.'

'Het een en ander? Wat dan?'

'Non-fictie.'

'Zoals?'

'Alles.'

'Vertel eens over iets wat je onlangs hebt gelezen.'

Ik denk even na. 'Wist je dat de geschiedenis van Zuid-Afrika is bepaald door graszaden?'

Ze trekt een wenkbrauw op, haar mondhoeken klaar om te lachen. 'Nee...'

'Het is echt waar. Tweeduizend jaar geleden woonden hier alleen Khoi en San. Dat waren nomaden, geen boeren. En toen kwamen de Bantoes uit Oost-Afrika met vee en sorghumzaad en die verdreven de Khoi en San naar het westelijke deel van Zuid-Afrika. Waarom daar? Omdat de sorghum van de Bantoes een zomergewas was en in het westen de regentijd in de winter valt. Daarom vestigden de Xhosa zich niet verder dan de Visrivier. Zij hadden zomerregens nodig. Vierhonderd jaar geleden kwamen de Europeanen op de Kaap met wintergraan. De Khoi konden ze niet tegenhouden het verschil in technologie was gewoon te groot. Denk je eens in, als de Xhosa en de Zoeloes wintergewassen hadden gehad, hoe anders de geschiedenis dan verlopen zou zijn, hoe moeilijk het voor de Hollanders zou zijn geweest om een verversingspost op de Kaap te vestigen.'

'Ongelooflijk.'

'Ja he?'

'Waar heb je dat gelezen?'

'In een boek. Populairwetenschappelijk.'

'En dat met die talen?'

'Wat met die talen?'

'Je zei dat je een voorvechter van het Afrikaans bent...'

'Ja, een beetje...'

'O?'

'Neem Soe-zin bijvoorbeeld. Ze wist dat we Afrikaans zijn. Dat kon ze aan je voor- en achternaam zien. Dat kon ze horen. Maar ze spreekt Engels tegen ons. Waarom?'

'Vertel.'

'Ze werkt hier hoofdzakelijk met buitenlanders en voor hen wil ze geen Afrikaans meisje zijn, want dat geeft te veel bagage. Ze wil dat de mensen haar mogen, ze moeten haar leuk vinden. Ze wil niet op grond van de geschiedenis van de taal beoordeeld worden en een etiket opgeplakt krijgen.'

'Ze vindt de positionering van het Afrikaans als handelsmerk niet goed.'

'Precies. Maar wat ik niet begrijp is waarom zij... wij allemaal, niet iets aan die positionering doen. Heel hard weglopen is geen oplossing. De oplossing is de perceptie van het handelsmerk veranderen.'

'Kan dat?'

'Voor zover ik begrepen heb, gaat jouw werk daarover.'

'Ja, maar een taal is iets lastiger dan ketchup.'

'Het verschil is dat iedereen die ketchup lekker vindt, mee zal werken om de perceptie te veranderen. Bij de Boeren zal dat nooit gebeuren.'

Emma lacht. 'Dat is waar.'

De kelner brengt de fles merlot, een fles druivensap en twee extra glazen. Hij wil inschenken, maar Emma bedankt, ze wil het zelf doen. Ze schuift een extra wijnglas in mijn richting. 'Proef eens een slokje,' zegt ze. 'Een klein beetje maar en zeg dan helemaal eerlijk dat het niet lekker is.'

Ze schenkt me in. Ik pak het glas.

'Wacht,' zegt ze. 'Eerst ruiken.' Ze schenkt zichzelf een half glas in en draait het in haar hand, houdt het onder haar neus. Ik doe hetzelfde. Er zijn aangename geuren, maar er is nog iets anders...

'Wat ruik je?' vraagt ze.

Hoe kan ik dat tegen haar zeggen? Dat mijn geschiedenis daar ergens in de geur van die wijn opgesloten zit, herinneringen aan waar ik vandaan kom, aan wie ik ben. Ik haal alleen mijn schouders op.

'Kom, Lemmer, wees objectief. Ruik je de kruidnagel? En de bessen? Het is subtiel, ik weet het, maar het is er.'