Onzichtbaar - Onzichtbaar Part 10
Library

Onzichtbaar Part 10

'Die zoeken gidsen om toeristen rond te rijden. Dat wil ik niet. Ik wil met de dieren werken. Dat is het enige wat ik kan. Ik heb gehoord dat u niet op toeristen mikt.'

Er was iets aan Cobus, een eenvoudige vastberadenheid, een oprechte toewijding, wat Moller beviel. Hij liet hem binnenkomen en vroeg of hij referenties had.

'Nee, die heb ik niet. Maar ik heb twee handen die van alles kunnen doen en u kunt me uithoren over natuurbehoud. Van alles.'

Toen vroeg Moller hem of het goed zou zijn om lalapalmen in het reservaat te planten.

'Nee.'

'Waarom niet? Het is goed voer. Voor de vleerhonden. En apen en olifanten en bavianen houden ook van de noten...'

'Dat is zo, maar het is een Laeveldboom. Hier is het al een beetje te hoog boven de zeespiegel.'

'En tamboti?'

'Tamboti is goed. Dit is zijn wereld. Plant hem bij de rivieren, hij houdt van water.'

'Is hij goed voor het wild?'

'Jazeker. Parelhoenders en fazanten eten de vruchten en koedoes en njala's eten het afgevallen blad.'

'Tamboti is goed brandhout,' had Stef als laatste test gezegd.

'Niet voor de barbecue. Mensen zullen ziek worden van het gif.'

En dat was genoeg. Cobie de Villiers trok die avond in het opgeknapte arbeidershuis en werkte drie jaar zoals Stef Moller nog nooit iemand had zien werken; van zonsopgang tot laat in de avond, zeven dagen per week.

'En van de natuur wist hij zo'n beetje alles. Ik heb van hem geleerd. Heel veel.'

'Heeft hij het ooit over zijn verleden gehad? Waar al zijn kennis vandaan kwam?'

'Ach, liefje...' Stef Moller zet zijn bril af en begint hem met zijn vuile T-shirt schoon te wrijven. Zijn bleekblauwe ogen lijken weerloos zonder de bescherming van de dikke glazen. 'Mensen...' Hij zet de bril weer op. 'Ze komen hier en willen niet weten hoe we het land weer gezond hebben gemaakt. Ze stellen andere vragen. Waar kom ik vandaan? Hoe heb ik mijn geld verdiend? Ik houd daar niet van. Het verleden... Je moet een mens niet beoordelen op alle fouten die hij in het leven heeft gemaakt, maar op alles wat hij van zijn fouten heeft geleerd.' En dan zwijgt hij, alsof hij haar vraag beantwoord heeft.

Emma vat dit kennelijk op als een 'nee'. 'Waarom is hij hier weggegaan?' vraagt ze.

Mollers ogen knipperen boos. 'Ik weet het niet...' Hij haalt zijn schouders op. 'Hij heeft nooit iets gezegd. Hij vroeg twee weken verlof. En toen was hij weg. Niet eens al zijn spullen meegenomen. Misschien...' zegt hij en hij kijkt in de verte, waar de zon laag over de groene heuvel hangt.

'Misschien?' spoort Emma hem aan.

'Het meisje,' zegt Moller zacht. 'Misschien heeft het iets met het meisje te maken. De laatste weken voordat hij wegging...' Hij dwaalt weg met zijn gedachten, komt opeens weer terug. 'Toen kwam hij vragen of hij verlof kon krijgen. De eerste keer in drie jaar. Ik dacht dat hij haar ergens mee naar toe wilde nemen, maar toen kwam zij hem zoeken, een tijdje later. We hebben hem niet meer gezien.'

'Waar is hij naartoe gegaan?'

'Dat heeft hij niet gezegd. Tegen niemand.'

'Wanneer was dat?'

'1997,' zegt hij zonder enige aarzeling. 'Augustus.'

Emma blijft even stil zitten, alsof die informatie iets verklaart. Dan doet ze haar tas open en haalt er een pen en een vel papier uit. Het is de uitgeprinte webpagina van het Mohlolobe Game Reserve. Ze draait het papier om en schrijft er iets achterop. Dan kijkt ze op naar Moller.

'Ik zou graag met het meisje willen praten.'

'Ze werkte in het resort.'

'Hoe heet ze?'

'Melanie,' zegt hij op z'n Afrikaans met een langgerekte 'a' en een zweem van afkeer in zijn stem. Misschien zegt hij daarom haastig en neutraler: 'Melanie Lottering.'

Emma schrijft dat ook op.

Moller knippert met zijn ogen, kijkt naar haar en zegt verwonderd: 'Je gelooft echt dat het je broer is.'

Haar stem is bijna onhoorbaar als ze antwoordt: 'Ja.'

Emma pakt haar tas en wil opstaan, maar aarzelt en vraagt, heel voorzichtig: 'Vindt u het goed als ik een vraag over het reservaat stel?'

Hij knikt. 'Je wilt weten waarom. Je wilt weten wat het nut is als hier geen toeristische voorzieningen zijn.'

'Het spijt me, is dat wat iedereen...'

'Niet iedereen. Vaak. Maar ik snap het wel. Het is moeilijk te begrijpen als iemand zich anders gedraagt. Mensen verwachten dat je geld uitgeeft om geld te verdienen. Je maakt een reservaat zodat andere mensen kunnen betalen om te kijken. Als je dat niet doet, vragen de meeste mensen zich af wat je te verbergen hebt. Dat is logisch.'

'Zo heb ik het echt niet bedoeld.'

'Dat weet ik. Toch denken de meeste mensen zo. Het is een van de redenen waarom ik het hek bij de ingang afsluit. Want ze kwamen hier binnen en stelden vragen. En de meesten begrepen mijn antwoord niet, ze reden hoofdschuddend weg. Of misschien begrepen ze het wel, maar beviel het antwoord hun niet. Ze wilden het recht hebben om te zien, om te genieten, om het reservaat in te rijden en hun kinderen de dieren te laten zien.'

Moller kijkt in de richting van het hek en zegt met heimwee: 'Cobie begreep het. Helemaal.' Dan gaat zijn blik terug naar Emma. 'Maar laat ik je mijn antwoord geven, dan kun je zelf je mening vormen.'

Hij ordent met knipperende ogen zijn gedachten. 'Tot tienduizend jaar geleden waren we jagers en verzamelaars. Allemaal. Op elk continent en elk eiland. We trokken in kleine groepjes rond, gingen achter voedsel en water aan, al naar gelang de beschikbaarheid ervan. We maakten deel uit van het evenwicht van de natuur. We leefden in harmonie met de ecologie, in hetzelfde ritme. Duizenden jaren. En in onze genen zat het beginsel van de tering naar de nering zetten. Wanneer er overvloed is, geniet je ervan, want de magere jaren zullen komen. Dat is niet uniek, alle dieren zijn zo. En toen ontdekten we hoe we rundvee en geiten tam konden maken, we leerden gras zaaien en alles werd anders. We trokken niet meer rond, we bouwden dorpjes, we vermenigvuldigden ons, we zaaiden, onze koeien en schapen en varkens begonnen we op een vaste plek te weiden en we verloren het ritme van de natuur. Kun je het tot zover volgen?'

Emma knikt.

'Ik zeg niet dat het verkeerd is dat het gebeurde. Het was onafwendbaar, het was evolutie. Maar het had grote gevolgen. De geleerden zeggen dat de plek waar we voor het eerst begonnen te boeren in het Midden-Oosten lag, de vruchtbare halve maan van Irak in het Oosten, via Syrie en Israel tot aan Turkije. Ga vandaag de dag eens kijken hoe het er daar uitziet, dan kun je je niet voorstellen dat ze het over de "vruchtbare" halve maan hebben, want het is nu alleen maar woestijn. Tienduizend jaar geleden was dat niet zo. Er waren grasland en bomen, een gematigd klimaat, goede grond. De meeste mensen denken dat het klimaat is veranderd en dat er daarom niets meer is tegenwoordig. Het eigenaardige is dat het klimaat nog ongeveer hetzelfde is. Het is tegenwoordig woestijn doordat de mens met zijn landbouw het Midden-Oosten heeft uitgeput. Overbegrazing, overbewerking en overexploitatie van de grond. We hebben nog steeds iets in ons wat zegt dat we overvloed ten volle moeten benutten, want morgen heb je misschien niets meer.'

Moller is geen natuurlijke evangelieprediker zoals Donnie Branca. Zijn stem is zachter, zijn intonatie eindeloos beleefd, maar het geloof in wat hij zegt is even onwrikbaar. Emma is geboeid, gebiologeerd.

'We kunnen de geschiedenis niet terugdraaien. We kunnen technologie en landbouw niet weg wensen en we kunnen de aard van de mens niet veranderen. Net zoals een pauw met de langste, kleurigste staartveren de grootste kans heeft om te paren, zo vertrouwen we tegenwoordig op het aantal koeien in de stal, of de naam van de auto in onze garage. Daarom regeert geld alles. De mens is niet echt in staat tot bewaren, al maken we alle bijbehorende geluiden. Het ligt niet in onze aard. Of het nu om de ontginning van olie of het kappen van bossen voor brandhout gaat, het milieu verliest. De enige manier om tegenwoordig een goed ecologisch evenwicht te krijgen, is de mens buiten te houden. Helemaal. Het hele idee van openbare reservaten is bezig te mislukken, of het nu nationale, provinciale of particuliere parken zijn. Weet je hoeveel witte neushoorns dit jaar al zijn doodgeschoten om hun hoorns in de wildparken van dit land?'

Emma schudt haar hoofd.

'Zesentwintig. Waarvan eenentwintig in het Krugerpark. Er zijn twee parkopzichters gearresteerd, de mensen die de dieren moeten beschermen. En in Kwazulu zijn op klaarlichte dag twee blanken met een pick-up het Imfolozi-park binnengereden, ze hebben twee neushoorns geschoten, de hoorns afgesneden en zijn weggereden. Want iedereen weet dat daar neushoorns zijn. Daarom houd ik mijn hek dicht. Hoe minder ze weten, hoe groter de kans dat mijn dieren het overleven.'

'Ik begrijp het.'

'Daarom wil ik geen toeristen. Als je daarmee begint, wordt het steeds moeilijker om je te beperken. In het Krugerpark is veel te weinig accommodatie, de vraag wordt steeds groter. Nu gaan ze weer bouwen. Waar stop je? Wie bepaalt dat? Niet de ecologen, dat weet ik. Want de druk is politiek en financieel. Toerisme is het levenssap van ons land geworden. Het schept werk, het brengt buitenlandse valuta binnen, het wordt een monster dat je voortdurend moet voederen. Op een dag zal het monster ons opvreten. En dan zijn er alleen nog plekken als Heuningklip over. Maar ook niet voor altijd, want niets blijft overeind voor de mens.'

15.

We wachten op de manager in het barbecuerestaurant van het Aventura Badplaas Resort terwijl hij erachter probeert te komen waar Melanie Lottering nu werkt.

Na alle biltong bij Moller eet ik een bord groente en sla. Emma bestelt vis en sla. Ze zegt niet meer dan het hoogstnoodzakelijke. Halverwege de maaltijd komt de manager terug met een papiertje in zijn hand.

'Ze werkt nog steeds voor ons, in het Bela-Bela Resort. Daar hebben ze ook een spa.' Hij geeft de aantekening aan Emma. 'Ze is inmiddels getrouwd, haar achternaam is nu Posthumus. Dit zijn de nummers.'

Emma bedankt hem.

'Ze was heel goed met de gasten. Ik vond het jammer dat ze vertrok.'

'Wat deed ze voor werk?'

'Schoonheidstherapeute. Je weet wel, kruidenbaden, massage, thalassotherapie, modderpakkingen...'

'Wanneer is ze hier weggegaan?'

'Jee, daar moet ik even over nadenken... zo'n jaar of drie geleden.'

'Hoever is Bela-Bela hiervandaan?'

'Best een eind. Iets meer dan driehonderd kilometer. De kortste weg is over Groblersdal en Marble Hall.'

'Dank u wel.'

Hij laat ons alleen en dan haalt Emma haar telefoon tevoorschijn en begint te bellen, naar Bela-Bela.

Als we wegrijden, is het al donker.

'Het wordt een lange dag, Lemmer, ik hoop dat je het niet erg vindt,' zegt Emma. Ze klinkt moe.

'Ik vind het niet erg.'

'Als je wilt dat ik rijd...'

'Dat hoeft niet.'

'Morgen kunnen we uitslapen. Ik kan verder niets meer doen.'

En dan? wil ik vragen. Gaat ze terug naar de Kaap om te wachten tot Cobie de Villiers op een dag voor haar neus staat? Hoopt ze dat iemand als Wolhuter haar op de hoogte zal houden?

Ze klikt het binnenlicht aan, pakt pen en papier en maakt een paar aantekeningen. Dan doet ze het licht weer uit en leunt terug in haar stoel. Ze zit zo lang doodstil dat ik denk dat ze slaapt. Maar haar ogen zijn open. Ze staart naar het donker buiten en de heldere baan halogeenlicht voor ons.

Melanie Posthumus zit op de bank in het personeelsverblijf van het Bela-Bela Resort met een kind op schoot.

'Dit is Jolanie. Ze is twee,' zegt ze blij als Emma ernaar vraagt.

'Wat een bijzondere naam,' zegt Emma.

'We hebben een anagram gemaakt van de naam van mijn man en die van mij. Hij heet Johan, hij heeft dienst vanavond, hij is de cateringmanager. Het is die tijd van het jaar... Maar we noemen haar meestal Jollie, ze is zo'n zonnetje, weet je.'

Melanie is op het eerste gezicht mooi: zwart haar, blauwe ogen en een gladde huid, de fraaie welving van haar rode mond vormt een voortdurende uitnodiging. Ze praat met het accent van de Afrikaanse voorsteden van Johannesburg, de overdreven stembuiging die van een 'a' een 'o' maakt. En haar gebruik van 'anagram' is geen goed teken.

'Ik zal zo iets te drinken voor ons halen, maar eerst moet ik Jollie in bed zien te krijgen, ze is lekker slaperig en als ze te laat naar bed gaat, krijgt ze weer energie en dan wordt het slapengaan nachtmerriewerk, zoals Johan het altijd noemt.'

'Ik weet dat het een onhandig moment is,' zegt Emma.

'Nee hoor, maak je geen zorgen, jullie hebben zo'n end gereden en ik ben hartstikke nieuwsgierig, hoe ken je Cobie? Ik ben heel lang kwaad op hem geweest, weet je, maar je kunt niet altijd kwaad blijven, je moet verder met je leven, je moet je bestemming volgen,' zegt ze met een veelbetekenende blik op het kind dat met grote ogen en klaarwakker op haar schoot ligt. 'Het is net als met Brad en Angelina, weet je wel, ze moesten gewoon wachten tot ze bij elkaar kwamen.'

'Het is... een lang verhaal... ik kende Cobie lang geleden en...'

'Als vriendje en vriendinnetje?'

'Nee, nee, als familie.'

'Ik wou net zeggen, niet jij ook...'

'Ik probeer hem nu op te sporen.'

'Familie? Dat is raar, weet je, hij heeft tegen mij gezegd dat hij wees was, dat hij geen familie had.'

'Misschien is hij niet de Cobie die ik gekend heb. Dat probeer ik uit te zoeken,' zegt Emma heel geduldig. Ik vraag me af hoe teleurgesteld ze is over dit poppetje dat misschien de grote liefde van haar 'broer' was.

'O, oke, ik wou alleen zeggen...'

'Ik probeer te praten met iedereen die hem gekend heeft, zodat ik zekerheid kan krijgen...'

'Om het een plekje te geven,' valt Melanie haar in de rede en ze knikt begrijpend. 'Joa. Ik snap het helemoal.'

Emma's mobieltje gaat opeens schril. De ogen van het kind die net dichtgevallen waren, gaan weer open, het gezichtje kreukelt van de schrik. 'O, het spijt me,' zegt Emma en ze drukt op een knopje om de telefoon uit te schakelen.

De ogen van Jollie-Jolanie zakken langzaam weer dicht.

'Je hebt hem leren kennen toen hij op Heuningklip werkte?' vraagt Emma zachtjes terwijl ze de telefoon in haar tas stopt.

'Joa. Dat was coma, zoiets had ik nog nooit gezien. Ik kwam van de kant van Carolina, indertijd had ik zo'n witte Volkswagen Golf, ik noemde hem Dolf, nooit geen problemen mee gehad. Nooit. Toen voelde ik dat er iets niet goed zat en ik stopte en het was een lekke band en ik wist geeneens waar het reservewiel zat. Op dat moment kwam Cobie voorbij, hij was op weg naar de cooperatie om spullen te gaan halen met zijn pick-up en het enige wat hij zag was dit meisje dat met haar armen in haar zij naast haar lekke band stond en toen stopte hij. Is dat coma of wat?'

Pas als ze het woord voor de tweede keer gebruikt, snap ik wat ze bedoelt. Karma.

'Nou en of,' zegt Emma. Haar gezicht verraadt niets.

'Toen raakten we aan de babbel. Of ik eigenlijk, ik ben soms een enorme babbelkont, en die mooie jongen was zo verlegen en stil en hij haalde het reservewiel tevoorschijn en dat was ook lek. Toen reden we in zijn pick-up naar de BP bij het resort en ik vroeg hem waar hij werkte en wat hij deed en zo. En toen hij Heuningklip zei, bleef ik doorvragen, want we weten allemaal van Stef Moller, dat is die multimiljonair die al die boerenbedrijven heeft opgekocht en weer mooi heeft gemaakt, maar niemand weet waar hij zijn geld vandaan heeft en hij zit daar maar in dat oude huis en praat eigenlijk niet. En Cobie vertelde dat Stef een fantastische man is die alleen het land gezond wil maken zodat de natuur kan balanceren en ik vroeg: "Hoe werkt dat?" en toen begon Cobie te vertellen. En zo werd ik verliefd, want toen hij praatte over het land en de dieren en de economie toen zag je de echte Cobie, de jongen achter de verlegenheid. Toen ik vroeg wat zijn lievelingsdier was, zei hij "de honingdas". En ik vroeg hoezo en we zaten daar langs de weg bij Dolf, in zijn pick-up, en hij vertelde verhalen over de honingdassen en toen praatte hij met zijn hele lijf, zijn ogen, zijn handen en zo...'